Skip navigation

Tag Archives: Opstand

ROTTERDAM – In Rotterdam zijn vanavond bij de eerste provo-happening in de stad 33 jongeren opgepakt. De bijeenkomst bij het standbeeld van ‘Fikkie’ op de Westersingel liep al na een kwartier uit de hand. Enkele jongeren begonnen leuzen te roepen en papieren in brand te steken en dat pikte de politie niet.

De eerste provo-bijeenkomst in Rotterdam, volgens de andere media ‘op een uur dat ze allang bij moeder thuis hadden moeten zijn’ trok ongeveer tweehonderd jongeren.

Joop Stolk, neef van de bekende Amsterdamse provo Rob Stolk, hield een toespraak. Op dat moment kneep de politie nog een oogje toe, ook al had Stolk geen toestemming van het gemeentebestuur om de menigte toe te spreken.

In zijn toespraak pleitte Stolk voor meer groen in de stad, meer muzikale hangplekken voor jongeren (beatkelders) en goedkoper openbaar vervoer.

Vervolgens gingen steeds meer jongeren zich roeren. Zeker nadat Stolk zich uitsprak tegen de Vietnamoorlog.

Enkele aanwezigen staken kranten bij het beeldje in brand. Toen de jongeren ook nog ‘Johnson moordenaar’ begonnen te scanderen, greep de politie in.

Stolk was de eerste arrestant. Hij verzette zich niet tegen zijn aanhouding.

Versterking

Op dat moment kwam er versterking voor de politie. Een geluidswagen sommeerde de jongeren om te vertrekken. Iedereen die niet luisterde werd meegenomen door de agenten.

Rond half één was de rust teruggekeerd. Toen zaten er 33 jongeren in de politiecel. Daarvan waren er 17 meerderjarig. De rest van de jongeren mocht dezelfde nacht nog naar huis.

De politie is tevreden met de manier waarop de bijeenkomst is verlopen, liet hoofdcommissaris Wolters op een persconferentie weten.



Provo’s

De provo-beweging werd vorig jaar opgericht in Amsterdam. De naam komt uit het proefschrift van een wetenschappers die de term heeft geïntroduceerd. Roel van Duijn omarmde de naam voor de groep anti-autoritaire jongeren.

De provo’s werden tot dusverre door het grote publiek vaak verward met nozems; hangjongeren, met dure kleding en vaak op een brommer. Het grote verschil met de nozems is dat de provo’s is vaak politiek geëngageerd zijn.

In een verklaring lieten de provo’s weten op te roepen tot verzet tegen de gevestigde orde.

“Provo ziet in dat het de uiteindelijke verliezer zal zijn, maar de kans deze maatschappij nog eenmaal hartgrondig te provoceren, wil het zich niet laten ontgaan”

(beginselverklaring provo’s, 1965)

Provo’s zorgden er ook voor dat de bruiloft van Prinses Beatrix met Claus van Amsberg werd verstoord door een rookbom, die werd gegooid tijdens de rijtoer.


Hoe ging het verder?

Vijftien van de zestien jongeren die op zondagmiddag voor de rechter stonden kregen een celstraf van zes dagen. De zestiende, die zich sterk verzette tegen zijn aanhoudingen, kreeg zelfs twaalf dagen.

Stolk werd vrijgelaten. Hem kon niets ten laste worden gelegd en werd ook niet voor de rechter geleid.

De rechter is duidelijk in zijn oordeel: “Rotterdam kan deze dingen niet hebben. Daarvoor is Rotterdam een te werkzame stad”.

Daarmee was het provoprotest in Rotterdam verre van de kop ingedrukt. Elke zaterdag kwamen de provo’s bij elkaar. Vaak bij het beeld van Fikkie, maar later ook op andere plekken, omdat de politie de jongeren vaak stond op te wachten.

Elke keer werden er arrestaties verricht en werden de jongeren veroordeeld tot meerdere dagen cel.

In het najaar ontstond een nieuwe groep provo’s in Rotterdam: De Nieuwe Generatie. Ze kwamen in het nieuws door op de Femina (huishoudbeurs) op burgemeester Thomassen af te stappen en het gesprek aan te gaan.

Ze eisten een plek in de stad. Met succes: de plek kwam er: de Leiperd, onder de Willemsbrug, waar nu Club Vie zit. Daarmee was een van de belangrijkste doelstellingen van de provo’s bereikt.

Het bovenstaande verhaal maakt deel uit van de serie voor de Maand van de Geschiedenis, met als thema Opstand. In dit geval gaat het om jongeren die in opstand komen tegen het gezag.

Bronnen:

Het Vrije Volk – 16-05-1966 – Politie haalt eerste provo-happening met overleg uit elkaar

Stadsarchief Rotterdam – Provo-happenings bij fikkie – 1966

RTV Rijnmond – Vergeten Verhalen – Ook Rotterdam had een eigen provo scene

Auteur: Dave Datema

Gepubliceerd op: 01-10-2018

Verhaalnummer: 224

GORINCHEM – Burgemeester Ridder Van Rappard lijkt eigenhandig een kunstrel te hebben veroorzaakt in het zo rustige Gorinchem. Hij liet vanmorgen, een paar uur voor de opening, de werken van kunstenaar Wil Ferwerda (23) uit stadsgehoorzaal De Nieuwe Doelen weghalen. De kunst zou ‘afgrijselijk en ontuchtig’ zijn. Volgens de kunstenaar is het ‘naturalistisch werk’, met veel naakt.

Desalniettemin ging de opening alsnog door, alleen waren de wanden leeg. Het was te laat om alle genodigden af te bellen, was het excuus.

De Rotterdamse schilder en recensent Piet Begeer heette iedereen welkom. Vervolgens trok het hele gezelschap naar het atelier van Ferwerda, een onbewoonbaar verklaard huis aan de Blauwe Torenstraat. Daar gaf Begeer een analyse van het werk van Ferwerda.

Besluit

De beslissing om de kunstwerken weg te halen is genomen door het zogeheten college van regenten, het bestuur van De Nieuwe Doelen. Van dat college is Van Rappard de voorzitter. Ook wethouder Cor de Ronde zit in dit college.

De Ronde liet weten dat men ‘de jonge bezoeker die argeloos de expositie zou binnentreden niet met dit werk mocht confronteren. Om die reden zijn de werken gisteravond, toen in de stadsgehoorzaal een cabaretvoorstelling was, tijdelijk weggehaald om daarna weer terug te keren.

Vanmorgen kwam het college bij elkaar. Daarin werd besloten dat de expositie van Ferwerda te ver ging. Van Rappard omschreef de expositie  in Het Vrije Volk als ‘meest afgrijselijk, ontuchtig, kreupel en onnodig stuitend’.

“Een en al viezigheid en vuiligheid. Er wordt mijns inziens gekoketteerd met de goot; als wij tegen der gelijke werken en personen niet positief stelling nemen gaat de wereld ten onder”

(Burgemeester Ridder van Rappard van Gorinchem, Trouw, 08-02-1965)

“Ferwerda mag schilderen wat hij wil maar niet op deze manier”

(Burgemeester Ridder van Rappard van Gorinchem, Het Vrije Volk, 08-02-1965)

Van Rappard is zelf de zoon van een beeldhouwer. Een eerdere expositie van Ferwerda in De Nieuwe Doelen kon wel doorgang vinden. Volgens Van Rappard omdat ‘zijn werk toen nog onherkenbare, onschuldige humbug’ was. Maar nu Ferwerda de naturalistische kant in is geslagen, gaat het te ver, vindt de burgervader.

Dit artikel gaat verder onder deze advertentie



Verwijderen

Ferwerda arriveerde vanmorgen bij De Nieuwe Doelen toen het college bezig was met het bekijken van de kunst. Hij werd buiten de deur gehouden, totdat het college een besluit had genomen. Daarna kreeg hij, zonder opgaaf van reden, het bevel om zijn kunstwerken weer in te pakken en mee te nemen.

Ferwerda weigerde eerst om de kunstwerken weg te halen. Maar nadat hij door de korpschef van de politie werd opgedragen om zijn werken te verwijderen, ging hij alsnog overstag. Alle kunstwerken gingen op een kar, terug naar zijn atelier. Hij was niet boos, maar baalde er vooral van dat het besluit zo laat genomen was. Voor de expositie waren kosten gemaakt, zoals het versturen van uitnodigingen.

‘Geen verstand van kunst’

Begeer was fel in zijn reactie op de actie van de burgemeester. Vooral de kritiek van Van Rappard was tegen het zere been van de recensent.

“Die aanduidingen doen ons denken aan de tijd van Hitler, toen de moderne kunst door hem en zijn genoten verboden werd. Hij geeft hiermee aan dat hij geen verstand van kunst heeft. En dat wisten we al. Ferwerda is een 23-jarige begaafde schilder, die zich heftig bewogen inzet om te getuigen van de noden van zijn medemens.”

(Piet Begeer, Het Vrije Volk, 08-02-1965)

Volgens Ferwerda zelf zegt dat er geen enkele erotische prikkel uitgaat van zijn werk. “Ik toon de men die uit zijn angst, uit de wereld, wil losbreken”, legt hij uit aan Het Vrije Volk. “Ik kom op tegen de benauwde dogma’s van deze maatschappij. Ze hebben met mijn werk gedaan, wat dit werk juist zegt.”

Het lijkt er niet op dat het verbod van Ridder van Rappard ook negatieve gevolgen heeft voor de jonge schilder. Hij is in gesprek over de mogelijkheid om te exposeren in Rotterdam en Dordrecht. Die gesprekken zouden al in een vergevorderd stadium zijn.


Hoe ging het verder?

Als het verbod door burgemeester Ridder van Rappard landelijk wordt opgepikt door de media is de kunstrel compleet.

Ferwerda doet daar nog een schepje bovenop door naar de rechter te stappen. Hij beticht de burgemeester van smaad en belediging. Het draait dan om uitspraken zoals ‘een charlatan in a-morele zin’ en dat ‘Ferwerda een profiteur is die in Rotterdam van de academie is getrapt’. Van Rappard wordt uiteindelijk niet vervolgd, dat weigert de officier van justitie.

De rel zorgt wel voor een impuls voor de carrière van Ferwerda. Na een expositie in Dordrecht volgt het hoogst haalbare: een tentoonstelling in Amsterdam.

In Gorinchem is ook niet iedereen het eens met Ferwerda. Op een van de muren in de binnenstad van Gorinchem wordt een tekst geschreven: “Ferweda is gek”. De spelfout in de naam suggereert dat de auteur geen groot kunstkenner is.

Ferwerda en Van Rappard zouden nooit vrienden worden. Toen de kunstenaar drie jaar later (1968) verhuisde naar Dordrecht deed hij nog één laatste groet aan de Gorinchemse burgemeester (zie foto onder).

Het bovenstaande artikel maakt deel uit van de serie rondom de Maand van de Geschiedenis 2018. Het thema van dit jaar is Opstand. In dit verhaal probeert een opstandige kunstenaar bepaalde taboes te doorbreken. De burgemeester komt daar vervolgens tegen in opstand en dat levert een behoorlijk rel op.

Bronnen:

Het Vrije Volk – 08-02-1965 – Genodigden bij tentoonstelling in Gorkum zien lege muren

Het Parool – 08-02-1965 – Gorkum nam aanstoot

Trouw – 08-02-1965 – Gorkum: Schilder moet veld ruimen

Het Vrije Volk – 09-02-1965 – Ferwerda zoekt heil in Dordt en Rotterdam

RTV Rijnmond – 23-09-2015 – Vergeten Verhalen – De Gorinchemse kunstrel

Auteur: Dave Datema

Gepubliceerd op: 01-10-2018

Verhaalnummer: 215

DEN HAAG – Bij een bombardement op klaarlichte dag op het Centrale Bevolkingsregister in Den Haag zijn vermoedelijk tientallen doden gevallen. Ook worden nog zeker veertig tot vijftig mensen vermist. Het is het grootste bombardement op Den Haag sinds het begin van de oorlog in 1940.

Volgens de autoriteiten zijn behalve het Bevolkingregister, dat gevestigd was in de Kunstzaal Kleykamp, ook nog acht woningen verwoest en zeven zwaar beschadigd. Het register lijkt grotendeels in vlammen te zijn opgegaan.

Het dodental staat inmiddels op 17. Verder zijn er zeker 73 gewonden. De meeste slachtoffers waren werkzaam bij het Bevolkingsregister en zijn van Nederlandse afkomst. Het zijn vooral jonge vrouwen die onder het puin zouden liggen.

Aanval

De aanval was rond drie uur vanmiddag. Britse bommenwerpers zouden volgens de autoriteiten gebruik gemaakt hebben van het wolkendek en zo ongemerkt richting Den Haag zijn gevlogen.

De toestellen zouden over de Zuid-Hollandse Eilanden zijn gevlogen. De toestellen kwamen uit de richting van Gouda. In Den Haag maakten de piloten gebruik van het vlakbij gelegen Vredespaleis als markeringspunt.

Maar volgens ooggetuigen was er helemaal geen bewolking en vlogen de toestellen heel laag, om zo ongezien naar Den Haag te vliegen. De toestellen vlogen zo laag dat een van de houten (!) Mosquito’s onderweg een schoorsteen raakte. Geen van de toestellen is neergehaald.

De eerste bommen zorgden ervoor dat het gebouw van de buitenkant verwoest werd. Daarna werden brandbommen op Kleykamp gedropt. Daardoor ontstond een groot vuur dat moeilijk te bestrijden was, ondanks dat de hulpdiensten snel ter plaatse waren.

Echtheid persoonsbewijzen

In het Bevolkingsregister liggen alle ontvangstbewijzen voor de nieuwe persoonsbewijzen, die sinds twee jaar verplicht zijn. Ook pasfoto’s en vingerafdrukken zijn er opgeslagen. Het register wordt gebruikt om persoonsbewijzen te controleren op vervalsing.

Omdat het gaat om een precisiebombardement met een specifiek doel, is het aannemelijk dat het verzet om de verwoesting van het register heeft gevraagd. Zonder het register kunnen mensen met een vervalst persoonsbewijs op straat lopen, omdat een controle onmogelijk is.

Omdat het vandaag een gewone werkdag was, was het erg druk in het register. Volgens schattingen waren er tussen de 50 en 70 ambtenaren aan het werk.

Dit artikel gaat verder onder deze advertentie



Reacties

De staatsgecontroleerde media spreken van een ‘barbaarse’ aanval.

“Weer hebben Anglo-Amerikaanse vliegers bommen laten vallen op een Nederlandsche stad en zijn weerlooze burgers het slachtoffer geworden. De geschiedenis zal een oordeel vellen over een dergelijke barbaarsche wijze van oorlog voeren!”

(Delftsche Courant, 12-04-1944)

“Wéér zijn op klaarlichten dag verscheidene burgers, waaronder vele jonge meisjes gedood, verminkt of met verwondingen opgenomen, weer is dood en verderf gezaaid onder in het geheel niet bij de oorlogvoering betrokkenen en op de vraag: waarom?, vindt men weer geen voldoende antwoord.”

(De Residentiebode, 12-04-1944)

Sommige media verwijzen ook naar het Brits-Amerikaanse bombardement van Nijmegen twee maanden geleden. Daarbij kwamen rond de achthonderd mensen om het leven. Vanuit Londen kwam toen het excuus dat piloten een fout hadden gemaakt, omdat ze dachten dat ze boven Duits grondgebied zaten. Nu kan dat excuus niet gemaakt worden.


Hoe ging het verder?

De verzetskranten waren lyrisch over het bombardement van Villa Kleykamp. In principe was dat het ook. Het pand werd verwoest met het precisiebombardement en alle piloten (onder wie de Nederlandse piloot Robbie Cohen) kwamen veilig weer terug in Engeland.

Geïllustreerd Vrij Nederland noemde het een ‘treffend staaltje van bombardeerkunst’.

Maar er waren nogal wat kanttekeningen. Het bombardement was inderdaad uitgevoerd op verzoek van het verzet. Zij gingen ervanuit dat de mensen die in het register aan het werk waren NSB’ers waren. Maar de meeste waren gewoon normale Nederlandse ambtenaren, die soms al jaren in dienst waren van het ministerie.

Uit een reconstructie van Andere Tijden blijkt later dat het verzet daarbij een verkeerde inschatting had gemaakt, bovendien op grotendeels verkeerde informatie. Er werd gekozen voor een bombardement op een werkdag, omdat dan alle kluizen open zouden staan en brandbommen een groter effect zouden hebben.

Vrij Nederland schreef over het bombardement: “Met dit register is de Centrale Bevolkingsadministratie van Nederland verdwenen. Alle ingevulde papieren met foto’s en vingerafdrukken die als controlemateriaal op de gemeentelijke bevolkingsregister voor den bezetter groote waarde hadden – en de heer Lentz stelde ze wel tot zijn beschikking – zijn weg. Voor vele duizenden is dit een groote uitkomst.”

Maar al het enthousiasme ten spijt, bleek dat zeker de helft van het register onbeschadigd was na de brand. De overgebleven persoonsbewijzen werden overgebracht naar het latere NEBO-ziekenhuis.

Het dodental liep uiteindelijk op tot 61.

Bezuidenhout

Het bombardement op Villa Kleykamp was het eerste van de Tweede Wereldoorlog op Den Haag, maar zeker niet het zwaarste. Dat was een klein jaar later, toen de wijk Bezuidenhout werd getroffen.

Die bommen waren bedoeld voor een V2-installatie in het Haagse Bos. In plaats daarvan vielen de meeste bommen in de woonwijk Bezuidenhout. Er vielen rond de 550 doden.

Het bovenstaande artikel maakt deel uit van de serie verhalen voor de Maand van de Geschiedenis van 2018. Het thema van dit jaar is Opstand. In dit geval gaat het om het verzet dat hulp inroept van buitenaf en welke gevolgen zo’n opstand kan hebben.

Bronnen:

De Residentiebode – 12-04-1944 – Luchtaanval op Den Haag

Zuid-Hollandsch Dagblad – 12-04-1944 – Luchtaanval op Den Haag

Het Vaderland – 12-04-1944 – Luchtaanval op Den Haag

Delftsche courant – 12-04-1944 – Luchtaanval op Den Haag

Geïllustreerd Vrij Nederland – 15-04-1944 – Een rake klap!

Volkskrant – 23 oktober 2008 – Zes mosquito bommenwerpers en een villa in Den Haag

Traces of War – Memorial Kleykamp bombing

Go2war2 – Aanval op Kleykamp

Andere Tijden – Kleykamp

Wikipedia – Koninklijke Kunstzaal Kleykamp

Auteur: Dave Datema

Gepubliceerd op: 01-10-2018

Verhaalnummer: 217


OTTOLAND – Met het opheffen van de openbare lagere school in Ottoland lijkt een einde te zijn gekomen aan wat wel een verlengde schoolstrijd mag worden genoemd. Waar de schoolwet van minister De Visser ruim tien jaar geleden in de meeste gemeenten al een einde maakte aan het getouwtrek tussen ouders, kerken en overheden, waren de nieuwe regels in het polderdorp juist aanleiding om de messen te slijpen.

Oud zeer van een protestantse kerkscheuring van enkele tientallen jaren geleden speelde daarin een hoofdrol. Met het verdwijnen van de openbare school lijkt de angel uit het conflict te zijn gehaald.

Het was een emotioneel debat in de gemeenteraad van Ottoland. Raadsleden van de gereformeerde ARP bleken weinig moeite te hebben met het opheffen van de school. Maar hun hervormde collega’s des te meer. De enige lagere school die in het dorp overblijft is namelijk een gereformeerde school. En daar krijgen de leerlingen niet de juiste christelijke leer onderwezen, vinden de hervormde raadsleden. Maar de ARP is sinds de verkiezingen van 1931 de grootste partij in de gemeenteraad en dus hadden de hervormden weinig kans.

Drie jaar geleden leek het er nog op dat de hervormden in Ottoland een eigen bijzondere school zouden oprichten, een school gebaseerd op hun eigen variant van het protestants-christelijke geloof. De gemeenteraad heeft zich er nog over gebogen. Dat zorgde toen voor grote spanningen in het dorp, omdat de gereformeerde school net alles rond had voor de bouw van een nieuwe school met maar liefst vier lokalen. Als er een concurrerende christelijke school zou komen, zouden de plannen op losse schroeven komen te staan.

Maar de hervormden bleken verdeeld en maakten weinig haast met de stichting van een eigen school. Lang leek dat ook niet nodig, omdat de openbare school in Ottoland geleid werd door meester J.T. Janse, een aanhanger van de SGP. De Banier, het partijblad van de Staatkundig Gereformeerde Partij, bestempelde de school tien jaar geleden nog als een van de weinige openbare scholen waar les werd gegeven ‘in de christelijke geest.’ Daarmee was de openbare school was in feite gewoon een hervormde school.

De Kerk in Ottoland. Foto uit 1930

Inspectie

Maar de openbare school, die sinds mensenheugenis naast de hervormde dorpskerk staat, kampt al geruime tijd met een teruglopend aantal leerlingen, terwijl de gereformeerde school steeds populairder wordt. Dat is ook de inspectie van het lager onderwijs opgevallen.

Vorig jaar deed een inspecteur onderzoek naar de levensvatbaarheid van de openbare school die nog maar 40 leerlingen telt. De uitkomst was dat de leerlingen beter konden worden verdeeld over de openbare school in Goudriaan en de gereformeerde school in het dorp.

Dat laatste is tegen het zere been van de hervormden in Ottoland. Zij hebben daarom in de aanloop naar de gemeenteraadsvergadering alles uit de kast getrokken om ‘hun’ openbare school te behouden, zeker omdat een eigen school door alle verdeeldheid er op korte termijn niet in zit. Zo werden er handtekeningen opgehaald.

Ze kregen hulp van een elektricien met socialistische sympathieën die evenzeer gehecht was aan de openbare school in het dorp, maar dan om andere redenen. Hij vond de afstand naar Goudriaan veel te ver voor ouders die hun kinderen openbaar onderwijs wilden laten volgen.

Maar in de gemeenteraadsvergadering is de vloer aangeveegd met de opgehaalde handtekeningen. Het waren er niet meer dan zestien. En onder de ondertekenaars waren ook mensen die enkele jaren geleden een soortgelijke petitie hadden getekend vóór hervormd onderwijs. De gereformeerde raadsleden zetten de ouders weg als ‘weinig principiële mensen’ waarnaar niet geluisterd hoefde te worden. Bovendien was het onzin om de kinderen ver te laten reizen, vinden de gereformeerden: hún school staat immers op loopafstand.

En dus verdwijnt er weer een openbare school in Nederland. Het ministerie van onderwijs heeft becijferd dat met name op het platteland zo’n 240 scholen niet levensvatbaar zijn. Uit een steekproef van het Comité van Actie voor het Openbaar Onderwijs blijkt dat bijna de helft van de leerlingen na een sluiting overgaat naar een bijzondere school. De verwachting is dat de gereformeerde school van Ottoland er ook flink wat leerlingen bij krijgt de komende jaren.

Schoolstrijd

Dat de gereformeerden in het dorp zo’n goed lopende school hebben komt gek genoeg door het grotendeels uitblijven van de schoolstrijd in de Alblasserwaard. Daardoor kon de school een streekfunctie krijgen. Hoe zat het ook al weer met die schoolstrijd die vorige eeuw grote delen van ons land in zijn greep hield? Sinds de vrijheid van onderwijs in de grondwet is verankerd streden aanhangers van bijzonder (lees: christelijk) onderwijs om gelijke behandeling door de overheid. Die wilde eerst alleen openbaar onderwijs bekostigen, omdat dit neutraal is en openstaat voor iedereen.

Wie eigen scholen wilde, moest dat maar zelf betalen, was het adagium. Maar ondertussen schroefde de overheid wel de eisen op waaraan gebouwen, schoolpleinen en het opleidingsniveau van onderwijzers moesten voldoen. Daardoor werd het voor voorstanders van bijzonder onderwijs steeds duurder om eigen scholen te onderhouden. Toen in 1886 de gereformeerden zich afsplitsten van de hervormde kerk ontstond een nieuwe situatie. De gereformeerden begonnen een eigen partij, de ARP, kwamen in de Tweede Kamer en zetten de schoolstrijd hoog op de agenda. In 1920 was definitief geregeld dat zowel het openbare als het bijzondere onderwijs door het rijk zouden worden betaald.

De schoolstrijd kon grotendeels aan de Alblasserwaard voorbij gaan omdat veel openbare scholen er vorige eeuw nog nauw gelieerd waren aan de kerk. Schoolmeesters woonden in een huis dat eigendom was van de kerk, luidden de torenklok, hadden kosterstaken in de kerk en waren voorzanger tijdens kerkdiensten. Bovendien waren de meeste dorpelingen arm en hadden ze geen geld voor een bijzondere school.

Toch kwam Ottoland al vroeg in de greep van de gereformeerde afscheiding, de Doleantie. De gereformeerden in het dorp, die wél genoeg middelen wisten te mobiliseren, wilden niet alleen een eigen kerk, maar ook een eigen school. De kerk kwam er in 1888, de school, de Eben-Haëzer of ‘Damse school’, twee jaar later. Beide hadden van meet af aan een streekfunctie. Er zaten dus niet alleen kinderen uit Ottoland op de school, maar ook uit Molenaarsgraaf, Brandwijk en zelfs uit Bleskensgraaf, waar geen gereformeerde school was. De brede belangstelling voor de Eben-Haëzer maakte de financiering iets eenvoudiger.

Binnen tien jaar was het aantal leerlingen van de Damse school vrijwel verdubbeld tot ca. 100. Er kwam een tweede lokaal en een tweede docent. In de jaren ’20 kreeg de school er nog meer kinderen bij, mede dankzij de wet van minister De Visser die regelde dat ook bijzondere scholen geld van het rijk krijgen. Maar ook speelt mee dat in Molenaarsgraaf onvrede ontstond over de hoofdonderwijzer van de openbare school in dat dorp. En dus dacht het bestuur van de gereformeerde school opnieuw na over uitbreiding.

Verlengde schoolstrijd

Maar toen brak in de dorpen een soort verlengde schoolstrijd uit. De hervormden wilden, nu de financiering landelijk geregeld was, alsnog eigen scholen. Bleskensgraaf kreeg in 1923 een hervormde school, in Molenaarsgraaf veranderde de openbare school begin dit jaar in een hervormde school, terwijl in Brandwijk eenzelfde opzet vier jaar geleden mislukte, waardoor de school openbaar is gebleven. En ook in Ottoland kwam het zoals gezegd tot plannen voor een hervormde school.

Maar onderlinge verdeeldheid zat de komst van een hervormde school in de weg. In april 1930 stemde een hervormd raadslid met de gereformeerden mee, waardoor het plan vertraging opliep. Daarna werden de initiatiefnemers ingehaald door de werkelijkheid. De komst van de hervormde school in Molenaarsgraaf betekent dat een eventuele Ottolandse school geen streekfunctie meer kan vervullen en er dus minder leerlingen te verwachten zijn. Bovendien komt het verdwijnen van de openbare school te vroeg. Concrete plannen voor een eigen hervormde school in Ottoland zijn er op dit moment niet.


[column size=one_third position=first ]

Hoe ging het verder:

De mensen achter de petitie voor behoud van het openbaar onderwijs in Ottoland gingen nog in hoger beroep tegen het besluit van de gemeenteraad om de openbare school op te heffen. Maar de Raad van State veegde de bezwaren in november 1933 van tafel. Het verdwijnen van de openbare school was daarmee definitief geworden.

In 1934 kwamen er ook hervormde leden in het schoolbestuur van de gereformeerde Damse school. Daarmee was ook op bestuurlijk niveau de verlengde schoolstrijd verleden tijd.

Het communistisch dagblad De Tribune, voorloper van De Waarheid, maakte in november 1934 een groot nummer van het verdwijnen van openbare scholen, waaronder die in Ottoland. ‘Onhoudbare toestanden’, kopte de krant. In 1934 bleken er van de 238 openbare scholen met te weinig leerlingen 146 te zijn opgeheven door het ministerie. De krant wijst erop dat de sluitingen betekenen dat kinderen naar een andere plaats moeten voor openbaar onderwijs:

[/column]

[column size=one_third position=middle ]

“In het geval van een afstand groter dan 5 kilometer rijden er schoolbussen] Kinderen mogen dan ’s morgens om een uur of 8 in een schoolbus stappen en komen als de dienstregeling van ’t openbaar middel van vervoer dit tenminste mogelijk maakt ’s avonds om een uur of 5 weer terug aan ’t punt van uitgang. Maar ze zijn dan vaak nog niet thuis! In sommige gevallen moeten de kinderen van de hoofdverkeersweg af nog 1, 2, 3 km wandelen langs landpaden of zandwegen, dus in de winter bij donkere weg, en in huis terug als de avond alweer gevallen is. Is de afstand iets minder dan 5 km, dan is ’t vaak nog erger voor de kleinen. Lopen moeten ze dan en bij ’t toenemend snelverkeer zijn ook de verkeerswegen op ’t platteland gevaarlijk, zeker voor jonge kinderen en in half donker. Onbewaakte overwegen moeten soms gepasseerd! Mogen we de ouders kwalijk nemen, dat zij tegen dit alles opzien?” (De Tribune (8-11-1934) p. 8)

De oude gereformeerde school van Ottoland werd in 1937 vervangen door een nieuw gebouw aan de B 115. Daar staat de school nog altijd.

[/column]

[column size=one_third position=last ]Bronnen:

  • J. van Rees (e.a.), Eenheid en scheiding. Historische schetsen van Molenaarsgraaf en Brandwijk (Molenaarsgraaf 1994)
  • Verrips, En boven de polder de hemel. Een antropologische studie van een Nederlands dorp 1850-1971 (Groningen 1981)

Auteur: Dr. A.P.B. van Meeteren

Gepubliceerd op: 01-10-2018

Verhaalnummer: 27
[/column]

ROTTERDAM – SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra heeft bij een bijeenkomst in het Verkooplokaal in Rotterdam de aanwezige arbeiders opgeroepen tot revolutie. “Wij komen hier om te spreken op het ogenblik, dat ook ons, de arbeidersklasse, de macht in handen zal geven!”

De toespraak van Troelstra werd met luid gejuich ontvangen. “Bezoedelt deze grote tijd niet door onwaardige daden; laat er eenmaal worden gezegd: het Nederlandse proletariaat toonde zich berekend voor zijn taak, de Nederlandse proletarische revolutie is geweest het gloriepunt in de geschiedenis van Nederland!”, aldus de socialist.

De oproep van SDAP-voorman kan gezien worden als een gevolg van de recente nationale en internationale ontwikkelingen. De ellende van de Wereldoorlog die de afgelopen vier jaar Europa heeft getroffen, lijkt tot een uitbarsting van volkswoede te hebben geleid. Overal gaan mensen de straat op. Het is onrustig bij de Centralen, Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Maar ook bij de geallieerden (Entente) mogendheden zoals België en Engeland zijn er rellen.

Ondanks de neutraliteit van Nederland is de oorlog niet zonder gevolgen gebleken in ons land. Er heerst grote werkloosheid en door een tekort aan levensmiddelen heerst er honger. De onrust neemt dan ook hier toe.

Op 25 oktober was in Harskamp bijvoorbeeld roerden namelijk gemobiliseerde soldaten zich uit protest tegen het intrekken van verloven en tegen de slechte voeding. Ze boycotten de legerleiding en uiteindelijk gingen zelfs enkele barakken en een kantine in vlammen op.

Bij de SDAP zijn dit allemaal tekenen van de naderende wereldrevolutie die werd voorspeld door de grote ideoloog Karl Marx.

Manifest

Vorige week kwam Troelstra in het partijbestuur met een manifest gericht op die revolutie. Niet iedereen in het partijbestuur was het de fractievoorzitter eens.

Een dergelijke ontwikkeling in een democratisch land als Nederland wordt door die sociaaldemocraten onwaarschijnlijk geacht. Een paar dagen later waarschuwde Troelstra ook in de Tweede Kamer voor de spanning in het land.

“Voelt gij niet langzamerhand, door de gebeurtenissen van de laatste tijd, dat gij staat op een vulkaan?”

(Troelstra, Tweede Kamer, 05-11-1918)

Maatregelen

Het bericht dat twee dagen geleden de Duitse keizer Wilhelm II is afgetreden heeft de onrust alleen maar vergroot.

Verschillende bestuurders hebben maatregelen getroffen om een eventuele machtsovername in Nederland door de arbeidersklasse zo ordelijk mogelijk te laten verlopen.

De Rotterdamse Burgemeester Zimmerman heeft SDAP-leider Heijkoop en Brautigam uitgenodigd om een mogelijke machtswisseling te bespreken.

“Hij sprak daarna uitvoerig over de moeilijke gang van zaken, als er een revolutionaire beweging kwam, en meende ons tal van wenken te moeten geven, voor als het zoover kwam. Wij moesten dan vooral oppassen de stations te bezetten. Wij moesten vooral zorgen, dat er verbinding bleef met het platteland, voor levensmiddelenaanvoer. Wij moesten vooral dan de wilde hartstochten der massa, (honger – geslachtsdrift) in toom houden en wij konden dan en moesten dan vooral voor orde en regelmaat zorg dragen”.

(Heijkoop)

Werkgevers en bestuurders volgde het voorbeeld van de Rotterdamse burgemeester en gingen in gesprek met vertegenwoordigers van de arbeidersbeweging.

Dat was voor de socialisten een teken dat juist Rotterdam klaar was voor de revolutie. De belangrijkste punten zijn volgens de socialisten:

– Onmiddellijke demobilisatie

– Onmiddellijke invoering van het algemeen vrouwenkiesrecht

– Afschaffing der Eerste Kamer

– Socialisatie van alle bedrijven die daarvoor in aanmerking komen

– Snelle en afdoende voorziening in de woningnood

– Invoering van staatspensionering op 60-jarige leeftijd

– Onverwijlde invoering van de wettelijke 8-urendag

– Volledige werklozenzorg

De situatie is ook besproken in de ministerraad. Minister-president Ruijs de Beerenbrouck vertelde de aanwezige ministers dat er gesproken is over de handhaving van de openbare orde.

Al deze ontwikkelingen sterken de mening van Troelstra die hij in Rotterdam heeft uitgesproken: de sociaaldemocraten moeten de leiding grijpen.

Politieke partijen zijn dan ook erg benieuwd naar wat Troelstra gaat uitspreken morgen gaat zeggen in de Tweede Kamer.

Hoe ging het verder?

Troelstra zou zijn redevoering in Rotterdam inderdaad de volgende dag 12 november dunnetjes overdoen in de Tweede Kamer. De aanwezige ministers en Kamerleden houdt hij voor:

“Uw stelsel, mijne heeren, uw burgerlijk stelsel, is langzamerhand vermolmd en verrot!’ (…) Wij gevoelen ons thans niet alleen voor onze eigen klasse verplicht te grijpen naar de staatsmacht, maar wij meenen ook, dat het Nederlandsche volk voor het heden en voor de toekomst geen grootere dienst kan worden bewezen dan wanneer men ons in staat stelt dien doorslaanden invloed op de verdere ontwikkeling van ons volk uit te oefenen, die voor de verwezenlijking van onze voornaamste eischen onverbiddelijk noodzakelijk is. Hiermede, Mijnheer de Voorzitter, meen ik voldoende nader te hebben verklaard wat ik in mijn eerste redevoering hier uitte. Ik meen te hebben aangegeven, welke motieven en rechtsgronden wij hebben, wanneer wij de modern georganiseerde arbeiders oproepen om het werk eener staatkundige revolutie in Nederland te aanvaarden.”

Het enthousiasme van zijn toehoorders een dag eerder stond in schril contrast met de reactie in de Tweede Kamer. Daar overheerste verbazing en zelfs woede. Niet alleen bij de andere partijen maar ook binnen zijn eigen SDAP. De latere premier Willem Drees, op dit moment nog een neutrale stenograaf, vond dat SDAP-Kamerlid Schaper zijn fractievoorzitter “tot bedaren moest brengen”.

De regering houdt desalniettemin rekening met het ergste. Er worden extra troepen gestuurd naar Rotterdam, Den Haag en Amsterdam. Toch leken alleen de arbeiders in Amsterdam en Rotterdam gehoor te geven aan de oproep van Troelstra. In de hoofdstad werd er op een protestbijeenkomst bijvoorbeeld geluisterd naar toespraken van o.a. Henriette Roland Holst en “us verlosser” Ferdinand Domela Nieuwenhuis.

Een aansluitende tocht na door Amsterdam eindigde op de Mauritskade waar soldaten het vuur openden. Het resultaat is vier doden en tientallen gewonden.

Contrarevolutie

De tegenbeweging lijkt wat dat betreft succesvoller. Met vanuit confessionele hoek wordt er gemobiliseerd tegen een linkse machtsovername. Duizenden melden zich voor de Bijzonder Vrijwillige Landstorm een initiatief van politici vanuit de CHU en ARP. Op 17 november komen er zo’n 40.000 mensen af op een manifestatie in Amsterdam georganiseerd door de katholieken. De klapper is echter het nationaal eerbetoon aan koningin Wilhelmina in Den Haag een dag later (foto onder). Een grote menigte met versierd met oranje en de nationale driekleur juichen hier de vorstin en haar jonge dochter Juliana toe.

Lees verder: Tienduizenden verklaren steun aan Wilhelmina na oproep tot revolutie

De revolutie van Troelstra lijkt als een nachtkaars uit te gaan.  De kreet is zelfs: “De uitwerking van Troelstra’s woorden heeft bewezen dat Nederland voor geen Revolutie behoeft te vreezen” zoals te lezen op speciale gedenkborden die gemaakt werden.

Zelfs Troelstra gaf al vrij snel toe hij misschien een vergissing had begaan. Al op 13 november moest hij in de Tweede Kamer zichzelf verdedigen door te melden dat hij de dag ervoor echt niet over een revolutie of staatsgreep had gesproken. Later stelde hij in zijn memoires dat het enthousiasme van de menigte in Rotterdam op 11 november hem misschien heeft beïnvloed.

“Onvergetelijk is mij de aanblik van deze zaal opgetogen en doelbewuste mannen en vrouwen; achter slechts enkele rijen stoelen stond de massa schouder aan schouder en met ongekend vuur klonken onze strijdliederen uit de wachtende menigte op. Onder den indruk van de berichten uit Duitschland, waar Ebert rijkskanselier was geworden en de roode vlag van het keizerlijk paleis wapperde, zongen de arbeiders…. ‘En de Internationale zal morgen heerschen op aard.’ (…) Toen heb ik het woord gekregen en de redevoering gehouden, die deze menschen van mij verwachtten en die recht kwam uit mijn hart, zonder door het nuchtere verstand te zijn gekontroleerd. Ik miste, zooals ik reeds zeide, in die dagen een rem en liet mij – iets wat, ik geef het toe, den politikus niet mag overkomen – door de grootheid van het oogenblik en door de geestdrift van mijn kameraden vóór mij meeslepen. Doch ik ondervond een eenheid met mijn hoorders, als ik nog niet had gekend en ik moet aan dezen avond blijven denken, als aan één van de mooiste oogenblikken van mijn leven. Mijn woorden verdienden ongetwijfeld kritiek van taktischen en organisatorischen aard, maar zij gaven uiting aan het beste, wat er in de harten der socialistische arbeiders leefde.

Troelstra’s oproep zou grote politieke gevolgen hebben. Sociale hervormingen werden doorgevoerd om zo de voedingsbodem van de onvrede bij de arbeiders weg te nemen. De SDAP zou echter de rekening moeten betalen voor de misstap van hun voorman, die wel nog mocht aanblijven.

De partij die zo hard had gestreden voor het algemeen kiesrecht om zo de stem van de arbeiders in het parlement te laten horen en mogelijk via die weg te kunnen regeren, werd nu door de andere partijen niet meer serieus genomen als coalitiegenoot. Het zouden de confessionelen zijn die vooral profiteerden van het nieuwe kiesstelsel. De SDAP stond buitenspel.

De toespraak van Troelstra in de Tweede Kamer zou de geschiedenis ingaan als “de vergissing van Troelstra”. Maar zonder het enthousiasme van zijn Rotterdamse toehoorders een dag eerder was die vergissing wellicht nooit begaan.

Bronnen:

Andere Tijden – Troelstra’s tragedie

Pieter Jelles Troelstra – Gedenkschriften

Historisch Nieuwsblad – 10 oktober 2010 – Troelstra’s vergissing

Auteur: Drs. Allard Schellens

Gepubliceerd op: 01-10-2018

Verhaalnummer: 223


DEN HAAG – Honderden vrouwen hebben vanmiddag het verbod van de Haagse burgemeester om actie te voeren voor de invoering van gelijke rechten voor de vrouw op slinkse wijze genegeerd. Er was een ‘stille betoging’ op het Binnenhof, voor het begin van de Algemene Beschouwingen, maar van een echte demonstratie was geen sprake.

De vrouwenrechtenactivisten wilden de dag na de Troonrede nog een keer de aandacht vestigen op hun strijd voor de grondwettelijke gelijkstelling van man en vrouw en met name de invoering van het vrouwenkiesrecht.

Maar Burgemeester Van Karnebeek gaf geen toestemming voor een demonstratie op of rond het Binnenhof. Volgens de burgemeester zouden ‘de heren van de Tweede Kamer het zo onaangenaam vinden, als zij niet onbemerkt aan het werk konden gaan.’

Op een verzoek om de actie op een andere plek te mogen houden, kwam geen reactie van de gemeente.

De oplossing kwam van de politie. De hoofdcommissaris liet weten dat de vrouwen werd toegestaan om het Binnenhof over te steken, om aan de andere kant meteen weer te vertrekken.

Verzameld

Aan het begin van de middag kwamen er zo’n driehonderd vrouwen bij elkaar in het restaurant van Hotel De Twee Steden, niet ver van het Binnenhof.

Na een toespraak gingen de vrouwen in hele kleine groepjes richting het Binnenhof, om daar toch een soort van mars voor gelijke rechten te houden. Onder de aanwezigen waren bekende voorvechters voor vrouwenrechten als Wilhelmina Drucker, Josephine Baerveldt-Haver, Henriette Verwey en Annete Versluys-Poelman.

“De leidsters zorgden voor eenige meters tusschenruimte tusschen elke groep. De politie hield langs de gebouwen de paar honderd nieuwsgierigen op een afstand en liet de dames langs de Binnenhofsgebouwen en achter de Ridderzaal om wandelen. Groepjes Kamerleden zagen aan den ingang van het Kamergebouw en voor de vensters de dames voorbijtrekken”

(Tilburgsche Courant, 18-09-1913)

Hoeveel vrouwen er meeliepen is niet duidelijk. Het getal moet ergens tussen de driehonderd en duizend liggen. In totaal staken er 47 groepen het Binnenhof over.

Door de demonstranten werd niet gesproken. Wel droegen sommige vrouwen een witte sjerp met daarop de tekst ‘Grondwettelijke gelijkstelling van man en vrouw’ en een zwart-witte strik. Ook reden er auto’s door de stad met dit soort teksten.

Voorafgaand aan de bijeenkomst had Wilhelmina Drucker al een kort gesprek gehad met minister Cort van der Linden van Binnenlandse Zaken. Hij kreeg een petitie met de eisen van de vrouwen. Hij verwees naar de troonrede, waar gisteren al wat toezeggingen over de kieswet werden gedaan.

Wilhelmina zei tijdens de troontrede dat er een grondwetsherziening aankwam ‘om te komen tot algemeen kiesrecht en wegneming van de belemmeringen voor vrouwenkiesrecht.’ En dat was voor het eerst.

Dit artikel gaat verder onder deze advertentie



Troonrede

Gisteravond kwamen de vrouwen ook al bij elkaar om de Troonrede te bespreken. Ondanks de historische woorden van Koningin Wilhelmina was er vooral veel onvrede over de aanloop naar de verkiezingen van deze zomer. Toen deden veel (uitsluitend mannelijke) politici beloftes over de invoering van het vrouwenkiesrecht, zonder concreet te worden.

Op dit moment heeft 65 procent van de mannen kiesrecht. Er staat nu nog wettelijk vastgesteld dat een stemmer belasting moet betalen, spaargeld moet bezitten, een examen moet hebben of een bepaald loon moet krijgen. Vrouwen zijn sowieso uitgesteld van het kiesrecht.

In de troonrede werd weliswaar gezegd dat de kieswet weer op de schop moet. Maar de vrouwen zijn bang dat de politiek dusdanig verdeeld is dat het nog jaren kan gaan duren voordat het vrouwenkiesrecht is ingevoerd.


Hoe ging het verder:

Het duurde nog wel even voordat de ‘grondwettelijke gelijkstelling tussen man en vrouw’ geregeld was. Pas in 1922, dus bijna tien jaar later, mochten ook vrouwen voor het eerst naar de stembus.

De kieswet werd wel binnen een paar jaar aangepast. Het grootste verschil is dat alle mannen van boven de 25 jaar mochten stemmen. Ook was er het passief kiesrecht. Dat hield in dat er op vrouwen gestemd kon worden, maar dat vrouwen zelf niet mochten stemmen.

Vrouwen waren dus alsnog afhankelijk van mannen voor een plek in de volksvertegenwoordiging. Slechts één vrouw haalde de Tweede Kamer in 1917, Suze Groeneweg en dat was ook nog eens op basis van de plek op de kieslijst in plaats van het aantal voorkeurstemmen.

Maar in 1922 mochten vrouwen voor het eerst ook zelf stemmen. Dat gold ook voor Koningin Wilhelmina, die daarvoor dus geen stemrecht had.

Het bovenstaande verhaal maakt deel uit van de serie verhalen van de Maand van de Geschiedenis 2018. Het thema dit jaar is Opstand. In dit verhaal komen vrouwen in opstand voor eigen rechten en laten ze zich niet tegenhouden. En zeker niet door mannen.

Bronnen:

Leeuwarder Courant – 18-09-1913 – Vrouwenbetooging in Den Haag

Haagsche Courant – 18-09-1913 – De betooging voor Vrouwenkiesrecht

Rotterdamsch nieuwsblad – 18-09-1913 – Binnenland

Bataavsch nieuwsblad – 19-09-1913 – Betooging Vrouwenkiesrecht

Stichting Wilhelmina Drucker Fundatie – Stille betooging Den Haag

Auteur: Dave Datema

Gepubliceerd op: 01-10-2018

Verhaalnummer: 214

ROTTERDAM – Bij rellen tussen prinsgezinden en een vrijkorps van Rotterdamse patriotten is mogelijk een dode gevallen. Bij de Prinsenstraat opende het vrijkorps het vuur op hun belagers.

De burgercompagnie van de patriotten uit wijk nummer 9 werd door een menigte dusdanig in het nauw gebracht dat luitenant Van Zwijndrecht het bevel gaf om het vuur te openen. Er zou iemand zijn omgekomen, maar de autoriteiten hebben dat nog niet bevestigd.

De compagnie onder leiding van luitenant Van Zwijndrecht was bezig om zich voor te bereiden op hun nachtpatrouille. Een grote menigte verzamelde zich toen al. Tijdens de mars van het vrijkorps werd luitenant Van Zwijndrecht dusdanig bedreigd door iemand uit de groep. Die man werd opgepakt en overgebracht naar het stadhuis.

De arrestatie zorgde ervoor dat sfeer alleen maar grimmiger werd. Van Zwijndrecht kon op dat niet anders dan het vuur openen. Dit salvo over de hoofden van de massa zorgde ervoor dat mensen zich voorlopig terugtrokken en de compagnie zijn tocht kon vervolgen.

Toen men bij het stadhuis aankwam werd sfeer weer dreigend. Er werd geschreeuwd, gedreigd en met stenen gegooid. Opnieuw besloot de luitenant om te laten zien dat er met de compagnie niet te sollen valt en gaf het bevel om te vuren. Dit keer vielen er zeven gewonden door de schoten. Volgens sommige geruchten is een van die gewonden inmiddels overleden.

Op het stadhuis werd er vervolgens alarm geslagen. Andere burgerwachten werden gemobiliseerd. Verschillende oproerkraaiers werden gearresteerd.

Catherina M., bijgenaamd Kaat Mossel, een van de aanstichters van de ongergeldheden. Maker: Onbekend (circa 1800)

Langere tijd

Er zijn al geruime tijd spanningen in Rotterdam tussen prinsgezinden en patriotten. Hoewel in het stadsbestuur tien patriotten en veertien niet-patriotten zitten, is in Rotterdam net zoals in andere Hollandse steden wel degelijk een meerderheid van personen die de macht van de stadhouder, Willem V, wil beperken.

Deze tweedeling is ook zichtbaar op straat. Een viering van de verjaardag van de stadhouder rond 8 maart vorig jaar verliep nogal problematisch. De overwegend laag opgeleide bewoners van het Achterklooster en andere achterbuurten zijn over het algemeen oranjegezind. Zij trokken in een bonte oranje stoet door Rotterdam.

Bij deze tocht lieten dames als Catharina M. (beter bekend als Kaat Mossel) en Keet Z. (Ruige Keet) van zich horen. Rotterdammers die duidelijk een andere mening toegedaan waren werden bedreigd, lastig gevallen en zelfs geld afhandig gemaakt “in naam van de prins”.

Dit artikel gaat verder onder deze advertentie



Vrijkorpsen

Om dit soort onlusten tegen te gaan moesten er in de ogen van de patriotten speciale burgerwachten, vrijkorpsen komen. Immers de bestaande schutterij is klaarblijkelijk niet daadkrachtig genoeg om op te treden tegen deze samenzwering tussen het gewone volk en de Oranje-elite.

Een van deze vrijkorpsen is opgericht door Jan Jacob Elsevier met als motto “Eendragtig, Bedaard, Standvastig” en was bedoeld voor de ordehandhaving in wijk 9. Dit korps oefende vanaf november 1783 regelmatig tot grote frustratie van tegenstanders.  Bij de Oranjeaanhang werd dan ook luidkeels geroepen om de afschaffing van deze vrijkorpsen.

Een officieel verzoek hiervoor in maart werd niet ondertekend op 2 april nadat het stadsbestuur dit verboden had uit angst voor rellen. Een dag later was de schietpartij waarbij compagnie nr 9 was betrokken met als resultaat dus gewonden en mogelijk een dode.


Hoe ging het verhaal verder?

Het stadsbestuur besloot om naar aanleiding van de onrust met dodelijke afloop van 3 op 4 april 1784 om het vrijkorps van Elsevier te ontbinden. Ze zouden zich later weer heroprichten onder de naam De Palmboom en vanaf 1785 weer oefenen, maar in 1784 was het verbod en ook nog censuur op bepaalde patriottenpublicaties een behoorlijk knauw voor de anti-Oranjekliek in het Rotterdamse.

Op dit moment zou echter de bredere patriottenbeweging hun Rotterdamse aanhang te hulp komen. De Staten van Holland, met belangrijke patriotten aan het roer, sturen namelijk een speciale onderzoekscommissie die de orde in Rotterdam moet herstellen. Een van de mogelijke aanstichtsters van de rellen, Kaat Mossel werd samen met hartvriendin Ruige Keet op 31 augustus / 1 september 1784 aangehouden en opgesloten in de kelders van het stadhuis.

Kaat Mossel was orangist in hart en nieren. Getuigen meldden dat zij betrokken was bij ze rumoerig verlopen viering van de verjaardag van Willem V op 8 maart en anderen plaatsten haar ook in de buurt bij de onrust van 3 op 4 april.

Catherina Mulder beter bekend als Kaat Mossel was een bekende verschijning in het Rotterdamse uit De Zwanensteeg een van de zes steegjes van het Achterklooster, een volksbuurt achter het oostelijk einde van de Hoogstraat. Ze kreeg haar bijnaam omdat zij keurvrouw van de mosselen was waardoor ze iedere ochtend bij de Roobrug aan de Spaansekade mosselen keurde van vissers uit Den Briel en Rotterdam. Dit was een officiële functie en dat leverde haar dertig gulden per jaar op.

Bronnen:

Arie Verschoor – Stad in aanwas, geschiedenis van Rotterdam tot 1813 (Zwolle 1999) 370-379

G. van Rijn – ‘Kaat Mossel’, Rotterdams Jaarboekje (1890) 158-231

Huygens ING – Catherina Mulder

Geschiedenis van Zuid-Holland – Kaat Mossel – De Bulhond van Oranje

Auteur: Allard Schellens

Gepubliceerd op: 14-11-2018

Verhaalnummer: 90

MAASSLUIS – Een groep van enkele honderden mannen en vrouwen heeft maandag in Maassluis tientallen mensen bedreigd en hun huisraad vernield. Ook hebben ze mensen op straat lastiggevallen. De raddraaiers zijn boos over de invoering van een andere manier van zingen in de kerk. Het is een voorlopig dieptepunt in een slepend conflict dat vorig jaar begon.

Ooggetuige Hendrik Moerings wist niet wat hij zag toen hij even de stad in ging.

“Een troep van vijfhonderd man ging naar de huizen van iedereen die voor het nieuwe zingen was. Zij stookten elkaar op. Ze dronken sterke drank met buskruit vermengd, waar ze woedend van werden. Ze haalden een van onze plaatsgenoten uit zijn huis en bonden hem met zware touwen. Aan de uiteinden trokken wel vijf of zes mannen ter weerszijden hem voort, terwijl anderen zijn huisraad plunderden.”

Tot in de late avond hielden rellende ‘lange zangers’ huis in Maassluis. Ze hadden het onder anderen voorzien op de voorzanger, Bartholomeus Ouboter, die de kerk de nieuwe manier van zingen had geleerd. Ze mishandelden de schilder en glazenmaker, sloegen zijn winkel kort en klein en rolden de kleren van zijn gezin door de verf.

Ook andere prominente ‘korte zangers’ moesten het ontgelden. Een organist kreeg klappen, een oud-ouderling en oud-burgemeester, die ook in de kerkenraad had gezeten, werd in zijn nachtgoed de straat opgejaagd, de vrouw van een schoenmaker werd aan haar haren door de straten getrokken en bij een metselaar ging een steen door de ruit. Bij een ander werd de wijnkelder leeggedronken.

De oproerkraaiers riepen ‘Houzee!’ en ‘We willen de oude toon weer terug.’ De nieuwe manier van zingen noemden ze ‘dans- en komediezang’. Anderen schreeuwden dat ze vandaag allemaal Prins, Staten, regering, dominees en alles tegelijk waren en dus hun zin moesten krijgen. Pas tegen het eind van de avond keerde de rust terug in Maassluis. Enkele inwoners, onder wie ook slachtoffers als de voorzanger en de metselaar, hebben dat dit niet afgewacht en zijn naar Delft gevlucht.

Conflict

Net als overal in Holland en West-Friesland is in Maassluis begin vorig jaar een nieuw psalmenboek geïntroduceerd. De nieuwe zogeheten psalmberijming is samengesteld in opdracht van de de overheid. Aanleiding was de groeiende onvrede onder predikanten en taalkundigen over de oude liedteksten van Petrus Datheen uit 1566. Het resultaat verscheen in 1773 op de markt, waarna de overheid de berijming overal liet invoeren.

Maar niet alleen de woorden van de populaire psalmen gingen op de schop. Ook de manier van zingen moest anders. Alleen gebeurde dat laatste niet in opdracht van de Staten-Generaal, maar van de kerken zelf. Die wilden af van de uiterst langzame manier van zingen waarbij elke noot even lang duurde. Ook de kerkenraad van Maassluis was voorstander van het nieuwe zingen dat meer ritmisch was, dus met afwisseling van hele en halve noten. Maar dat was buiten een deel van het kerkvolk gerekend.

Dit artikel gaat verder onder deze advertentie



Vissers

Met name de vissers van Maassluis zijn van ouds zeer gehecht aan de langzame manier van zingen. Als ze van huis zijn heffen ze aan boord graag een psalm aan, zeker op zondag als de schepen voor anker liggen op de Doggersbank. Ze komen dan bijeen op één schip en houden een eigen kerkdienst met zeer langzaam gezongen psalmen, mét de oude woorden van Datheen.

De kerkenraad van Maassluis moet al problemen met de vissers hebben voorzien. De invoering van de nieuwe teksten was al een heet hangijzer – ze werden in de loop van vorig jaar uiteindelijk, zij het aarzelend, door de meeste mensen meegezongen. Maar ritmisch zingen was voor een aantal Maassluizers, met name het armere deel van de bevolking, een brug te ver. Men zong dus wel de nieuwe tekst, maar op de oude manier.

Om ook de nieuwe manier van zingen te kunnen invoeren besloot de kerkenraad vorig voorjaar om zodra de vissers voor enkele weken op zee waren, te gaan oefenen met het overgebleven kerkvolk. Een voorzanger en enkele schoolmeesters hielpen met het instuderen van ritmisch zingen. Maar toen de vissers terug waren, sloeg de vlam in de pan.

De vissers vonden het snellere zingen helemaal niets. Het was in hun ogen ‘paaps, Luthers en afgodisch’. In augustus begonnen er enkele van hen dwars door het gezang heen het geluid van blatende schapen na te doen en te schreeuwen. De dominee was zo van slag dat hij niet verder kon en iedereen naar huis stuurde. Daarna ging het van kwaad tot erger. Vissers zetten in de kerk ook geregeld de aloude psalmen van Datheen in, die ze veel liever zongen dan de nieuwe liederen.

Compromissen

Niet alleen de aanhangers van de oude manier van zingen, de zogeheten ‘lange zangers’, roerden zich, ook de voorstanders van de nieuwe manier, de ‘korte zangers’, lieten van zich horen. Kerkdiensten veranderden meer dan eens in een complete chaos, waarbij ook de organist een duit in het zakje deed door zo hard als hij kon te spelen. Toen de ‘lange zangers’ het orgel dreigden af te breken, bond de kerkenraad in. In september herstelde ze de oude manier van zingen, maar wel op de nieuwe teksten.

De maanden erna hebben de ‘korte zangers’ voortdurend geprobeerd om het besluit van de kerkenraad weer van tafel te krijgen. Dat resulteerde in februari in een nieuw compromis. Voortaan zou er weliswaar langzaam worden gezongen, maar wel met afwisseling van hele en halve noten. Maar die maatregel maakte de problemen in Maassluis alleen maar erger. Nu had niemand zijn zin.

Afgelopen zaterdag trok een groep ‘lange zangers’ langs bij de dominees en de beheerders van de kerk en de schout. Zij eisten dat er de volgende dag weer ouderwets langzaam, met hele noten, zou worden gezongen. De autoriteiten konden weinig anders dan toegeven. Een flinke vergissing, zo bleek twee dagen later, toen groepen al rellend door Maassluis trokken.

Dit artikel gaat verder onder deze advertentie



Ingrijpen?

Schout Pieter Schim laat weten dat hij het er niet bij laat zitten. Geruchten gaan dat hij de baljuw, de hoogste rechterlijke macht in Delfland, erbij wil halen, die dan de rust zou moeten herstellen. Ook de Prins van Oranje zou dezer dagen in Delft zijn. Mogelijk wordt ook hij bijgepraat. Of dat ook gebeurt, is bij het verschijnen van dit bericht nog niet bekend.


Hoe het verder ging

Schim is inderdaad de volgende dag naar Delft gereisd, samen met een burgemeester en een schepen, om de baljuw in te seinen. De baljuw zegde zijn hulp toe. Of de prins, een verklaard tegenstander van de psalmen van Datheen,  daarbij nog een rol heeft gespeeld, is niet helemaal duidelijk. De dagen na het Psalmenoproer werden in ieder geval tal van verdachten opgepakt. Zeventig Maassluizers wachtten de arrestaties niet af en namen de benen. Dat aantal verraste de autoriteiten, waarna een amnestieregeling in het leven werd geroepen. Alleen de ergste raddraaiers zouden worden veroordeeld. Twee van hen kregen 12 jaar verbanning opgelegd, twee anderen verdwenen voor zes jaar uit Maassluis.

Na het oproer zong men in de kerken in Maassluis, net als in de meeste andere kerken in Holland, uit de nieuwe psalmberijming en bovendien ritmisch. Althans, meestal. Een enkele keer probeerde nog een ‘lange zanger’ om op hele noten, dwars tegen de rest in te zingen. Op 14 mei 1778 vaardigde de baljuw, een soort politiechef, daartegen een waarschuwing uit.

Ook in Vlaardingen kwam het tot een Psalmenoproer, onder leiding van ‘lange zanger’ Anthony Buytenweg, die voorzanger was in zijn kerk en die de psalmen ‘op zulk een onstichtelijke wijze gezongen of liever geschreeuwd’, dat groot rumoer in de kerk ontstond.

In 2006 schreef de in Maassluis geboren schrijver Maarten ’t Hart een roman die zich onder meer afspeelt ten tijde van het Psalmenoproer. Een zoon van de hoofdrolspeler ontpopt zich als een van de aanvoerders van de ‘lange zangers’. ’t Hart baseerde zich onder andere op ooggetuigenverslagen van de rellen in zijn stad.

Tegenwoordig wordt de psalmberijming van Datheen nog in zo’n 30 kerken gezongen, met name in oudgereformeerde gemeenten.

Bronnen:

En toen nu – Psalmenoproer

Luth (e.a.) – Het Kerklied – Een geschiedenis (Zoetermeer 2001)

P.H.A.M. Abels – Tussen gewetensvrijheid en kerkelijke dwang. Religie in Holland’, in: Th. de Nijs en E. Beukers, Geschiedenis van Holland Deel 2 1572-1795, p. 326-32

Mastenbroek – ‘De Maassluise oorlog 1775-1776’ – Historische Schets 27 (1995), p. 7-17

Dekker – Holland in beroering. Oproeren in de 17de en 18de eeuw (Baarn 1982)

Auteur: Drs. A.P.B. van Meeteren

Gepubliceerd op: 01-10-2018

Verhaalnummer: 203

Dit verhaal is geschreven in het kader van de Maand van de Geschiedenis 2018. Het thema van dat jaar is ‘Opstand’. In dit geval kwam een deel van de bevolking in opstand tegen het van bovenaf opgelegde veranderingen van de manier waarop de religie beleden moest worden.

HARDINXVELD-GIESSENDAM – Een ongekende opstand in de Alblasserwaard heeft een cafébaas in Hardinxveld het leven gekost. Ook zijn de huizen van enkele schouten geplunderd. Een stoet van naar schatting 500 mensen uit meer dan tien dorpen trok vrijdag met trommels en vlaggen door de polder om te protesteren tegen de in hun ogen torenhoge belastingen. Het is voor zover bekend het eerste georganiseerde oproer ooit in de Alblasserwaard.

Aanstichter van de rellen is molenaar Gerrit Lopik uit Gijbeland, een gehucht in de buurt van Brandwijk.

Getuigen zeggen dat hij bij voerman Cobus de Kuyper op een kar is gesprongen en samen met vijf anderen, onder wie zijn neef, is weggereden. Ook de knecht van de politieagent van Gijbeland ging mee. De mannen trokken vervolgens langs de dorpen Groot-Ammers, Streefkerk, Bleskensgraaf en de Vuilendam.

Overal gaven de zes opdracht om de kerkklokken te luiden en riepen ze de verzamelde bewoners op tot actie: “Jullie moeten maken om vier uur op de Vuilendam te zijn.” Op de vraag wat ze daar moesten doen, antwoordden de mannen op de kar: “Jullie moeten maar komen en dan zal je wel zien wat er van komt.”

Ophitsende toespraken

Inderdaad stond enkele uren later een groep van vijfhonderd mannen en vrouwen op de Vuilendam. Eerst luisterden ze naar volgens ooggetuigen ‘ophitsende’ toespraken, waarna ze in optocht, met trommels en vaandels, op weg gingen, via Groot-Ammers naar Goudriaan, Ottoland en uiteindelijk Giessenburg, Giessen-Oudekerk, Giessendam en Hardinxveld.

In de dorpen lieten de oproerkraaiers opnieuw de klokken luiden. Ook dreigden ze met geweld. In de dorpen langs het riviertje de Giessen kwam het tot plunderingen, waarschijnlijk omdat de plaatselijke agenten de belastingophalers hadden geholpen bij het uitvoeren van hun werk.

Dit artikel gaat verder onder deze advertentie



Drank

Het huis van de agent van Giessenburg, Anthonij van Zuijdam, werd volledig geplunderd, net als dat van Evert van Asperen, zijn collega in Giessendam. De relschoppers sloegen ramen en deuren kapot, braken alle kisten en kasten open en trapten de huisraad kapot. Cornelis Brooshooft, de schout van Giessen-Oudkerk, kon voorkomen dat zijn inboedel kort en klein werd geslagen door de oproerkraaiers drank te geven.

In Hardinxveld ontsprong politieman Leendert van Tettenroode de dans, maar moest de uitbater van café ‘De Prins’ het ontgelden. Hij werd doodgestoken, naar verluid door iemand uit Ottoland. De toedracht is nog onduidelijk, maar vermoedelijk probeerde de kroegbaas de rellende boeren tegen te houden. De autoriteiten spreken over ‘een moord op brute wijze’.

De woedende menigte is niet lang na de moord uit elkaar gegaan. Maar de initiatiefnemers willen het vuurtje laten branden. Ze vragen iedereen om maandag naar de herberg op de Veerdam in Papendrecht te komen om met elkaar over te varen naar Dordrecht en daar te protesteren tegen de marktwerking in de gewestelijke belastinginning die zou zorgen voor extra hoge tarieven. Ze hebben zelfs tussen de bedrijven door een flyer gemaakt om de oproep te verspreiden.

Of het zover komt is nog onduidelijk. De schouten van de verschillende dorpen in de Alblasserwaard hebben al laten weten het leger en de schutterijen in te zetten om een nieuw oproer in hun gebied te voorkomen.

Belastingpacht

Hoe kon het zover komen? Gerrit Lopik is weliswaar de directe aanstichter van de rellen, maar hij krijgt brede steun. In heel Holland heerst er onvrede over het systeem van belastingverpachting, waarbij het recht om belastingen te innen in handen komt van de hoogste bieder. Veel mensen denken dat de belastingpachters de tarieven, die in deze crisistijden toch al fors ingrijpen in het huishoudboekje, eigenhandig ophogen om er zoveel mogelijk aan te verdienen.

In de Alblasserwaard speelt nog meer. Boeren daar zeggen dat ze na twee grote overstromingen, in 1741 en 1744, en de uitbraak van een ernstige veeziekte twee jaar geleden geen cent meer te makken hebben. En juist vorige maand kondigden de belastingmedewerkers Coenraad Welborn en Dirk van Andel aan dat ze onder meer de gemaalbelasting zouden komen innen. De Staten van Holland regelden dat ze daarbij bescherming zouden krijgen van de plaatselijke agent en politici. Kennelijk heeft de politie van de dorpen langs de Giessen hun medewerking toegezegd.

Dat leidde in juni al tot onrust in Gijbeland en de omliggende dorpen Brandwijk en Ottoland. Zij eisten dat de belastingpachters nooit meer in hun dorpen zouden mogen komen. Maar het gewestelijk bestuur ging daar niet in mee en de onrust bleef. Drie dagen geleden kwam er uit Den Haag nogmaals het bevel om de belastinginners geen strobreed in de weg te leggen. Toen die woorden Gerrit Lopik bereikten brak hij in grote woede uit. Met een voor de Alblasserwaard uniek oproer tot gevolg.


Hoe het verder ging:

Het gewestelijk leger en de plaatselijke schutterijen zijn daadwerkelijk ingezet. Daarop was de orde snel hersteld. De Staten van Holland voerden vervolgens een uitgebreid en langdurig onderzoek uit naar het oproer. Er rolden de namen van 84 verdachten uit: 26 uit Gijbeland, 19 uit Molenaarsgraaf, 8 uit Ottoland, 8 uit Bleskensgraaf en Hofwegen, 7 uit Brandwijk, 4 uit Laag-Blokland, 3 uit Giessenburg, 2 uit Wijngaarden, 2 uit Groot-Ammers, 1 uit Goudriaan, 1 uit Giessen-Oudkerk, 1 uit Hardinxveld en 2 met onbekende woon- of verblijfplaats.

Het proces tegen de verdachten verliep vrij traag. Er bleken veel oproerkraaiers te zijn gevlucht. Tegen zes van hen zijn hoge straffen geëist. Drie zouden er de doodstraf moeten krijgen en nog eens drie zouden moeten worden gegeseld en na tien jaar tuchthuis moeten worden verbannen. Maar tot vonnissen kwam het niet, aangezien de zaak in 1748 werd opgeschort, vanwege de afschaffing van de gehate belastingpacht.

Veel heeft het pachtoproer de Waardbewoners niet geholpen. De belastingdruk bleef. De Staten van Holland gaven bovendien Coenraad Welborn op 28 september 1748 toestemming om de nog uitstaande achterstallige belastingen in te vorderen.

Dit verhaal maakt deel uit van de serie voor de Maand van de Geschiedenis 2018. Het thema van dat jaar is Opstand. In dit verhaal staat de rustieke Alblasserwaard centraal, die dus niet altijd even rustig is.

Bronnen:

A.P.B. van Meeteren, Het ruysschen als de Libanon: de Nijkerkse beroeringen in Bleskensgraaf in 1752 (Bleskensgraaf 1998)

H.J. van Rees (e.a.), Eenheid en scheiding. Historische schetsen van Molenaarsgraaf en Brandwijk (Molenaarsgraaf 1994)

R. Dekker, Holland in beroering. Oproeren in de 17de en 18de eeuw (Baarn 1982)

Nationaal Archief, Archief Hof van Holland 1428-1811, toegang 3.03.01.01, inventaris 301; 5456.3; 5457.2

Auteur: Drs. A.P.B. van Meeteren

Gepubliceerd op: 01-10-2018

Verhaalnummer: 210

De flyer, zoals in het verhaal wordt aangehaald, waarin mensen worden opgeroepen om mee te demonstreren tegen de hoge belastingen, is bewaard gebleven. Het is opgeslagen in het Hof van Holland van het Nationaal Archief.

ROTTERDAM – Een woedende menigte heeft het huis van baljuw Van Zuylen van Nijevelt aan de Leuvehaven geplunderd en afgebroken. De menigte is woest op de manier waarop bijzonder onpopulaire Van Zuylen van Nijevelt probeert de wet te handhaven.

Al in de middag hadden mensen zich verzameld op die locatie maar ordetroepen werden toen gestuurd. Hun aanwezigheid maakte het echter erger. Bij het treffen tussen demonstranten en de soldaten vielen enkele doden.

De menigte wist daarna enkele kanonnen buit te maken bij het Bolwerk en het huis van de baljuw werd onder vuur genomen. De soldaten trokken zich terug en het huis werd geplunderd. Toen was Van Zuylen van Nijevelt al nergens meer te bekennen.

Na de plundering werd het huis afgebroken. Ondertussen werd het stadsbestuur gedwongen om de door de baljuw opgesloten gevangenen vrij te laten en Van Zuylen van Nijevelt werd officieel ontslagen.

Pamflet over Van Zuylen van Nijevelt. Gemeentearchief Rotterdam

Aanleiding

Toen de baljuw vanmiddag naar huis reed, werd hij uitgescholden door een stel kwajongens. Een van hen kreeg daarop van zijn bedienden een pak slaag en dat schoot in het verkeerde keelgat bij wat oudere toeschouwers. Daarop verzamelde zich een menigte bij het huis van Van Zuylen Van Nijevelt om verhaal te halen.

Van Zuylen van Nijevelt is benoemd door stadhouder Willem III zonder advies te vragen bij het stadsbestuur. Dat zorgt ervoor dat hij ook in hogere kringen niet echt geliefd is.

Ook bij gewone Rotterdammer is de baljuw niet populaire. Hij zou mensen afpersen en boetes in eigen zak steken.

Vanmorgen verscheen daarom een pamflet op de voordeur van de Beurs. Daarin werd Van Zuylen Van Nijevelt openlijk bekritiseerd.

“Schijnheilig atheist, liefhebber van hoeren, geldzuchtig dwingeland en uitbroedsel van de hel”

(vrije vertaling van pamflet)

Kosterman

Eerder deze week waren er ook al problemen in de stad, na de doodstraf van een lid van de schutterij. Deze Cornelis Kosterman had bij een vechtpartij een medewerker van de belastingdienst, een zogenaamde ‘verklikker’, hebben gedood.

Kosterman maakte deel uit van een groep schutters die op een adres goedkope wijn wilde aanschaffen, zonder daar belasting over te betalen. Een paar medewerkers van de belastingen zagen de mannen lopen en gingen in de achtervolging vanaf de Gelderse Kade.

Na de dood van Antony Kerry werd adelborst Kosterman opgepakt en verhoord. Daarbij werd hij ook gemarteld. Kosterman bekende daarna. Van Zuylen van Nijevelt eiste de doodstraf en Kosterman werd na de uitspraak achter het stadhuis onthoofd.

Omdat de doodstraf bij mensen uit de hogere klasse vrijwel nooit voorkomt, zorgde de uitvoering voor reuring in de stad. Daarnaast waren de medewerkers van de belastingen zelf ook al niet populair.

(Dit artikel gaat verder onder deze advertentie)



Om de situatie nog wat erger te maken, kon de beul niet echt omgaan met de dreigende sfeer rondom het schavot en was hij zo zenuwachtig dat ie maar liefst vijf keer moest slaan voordat het hoofd van Kosterman rolde. Bovendien ging het gerucht dat stadhouder Willem III gratie had verleend maar dat de baljuw dit had genegeerd.

Een dag na de voltrekking van het vonnis verzamelde een menigte zich bij het huis van een van de pachters, Pieter van der Steen. De schutterij, collega’s van Kosterman, greep niet in en het huis werd een paar uur lang geplunderd.

Het nieuws van de plundering bereikte Den Haag en de Staten van Holland stuurde soldaten om de rust te herstellen. Het stadsbestuur weigerde die soldaten de stad in te laten. Alleen een onderzoekscommissie mocht Rotterdam betreden. Alles leek daarna rustig te worden. Tot de gebeurtenissen van vanmorgen.


Hoe ging het verder?

De gebeurtenissen aan de Leuvehaven en het vertrek van de baljuw leidde tot festiviteiten in Rotterdam. Er werden speciale penningen geslagen en de scene werd zelfs vereeuwigd op kostbaar porselein.

Afbeelding: Museum Rotterdam

Maar opnieuw grepen nu de Staten van Holland in. Maar liefst zes regimenten soldaten werden gestuurd. Rotterdam deed de poorten weer dicht.

Een speciale onderzoekscommissie ging de rellen onderzoeken. Uit het onderzoek bleek hoe verdeeld het regentenpatriciaat van Rotterdam was.

Aan de ene kant waren er de prinsgezinden onder leiding van Van Zuylen van Nijevelt. Deze groep had onderling afspraken gemaakt over het verdelen van bestuursfuncties.

De oppositie binnen het patriciaat stond onder leiding van burgemeester Pieter de Mey (1642-1722).

Complot?

Het oproer gericht tegen de baljuw lijkt wat dat betreft van bovenaf gestimuleerd en zelfs geleid te zijn. Zeker als in aanmerking genomen wordt dat het pamflet wat alles ontketende volgens getuigen geschreven werd door arts en filosoof Bernard de Mandeville (1670-1733) in het huis van De Mey.

Uiteindelijk werd Van Zuylen van Nijevelt vrijgesproken in 1692 en door Willem III herbenoemd. Bovendien eiste de stadhouder een schadevergoeding voor zijn protégé, kregen diens familieleden mooie baantjes en kregen tegenstanders het moeilijk.

Na de herbenoeming werd er systematisch gezuiverd. Zes leden van de vroedschap en de pensionaris werden vervangen.

De Mey en zijn aanhang moesten het veld ruimen en werden vervangen door prinsgezinden. De vader van pamfletschrijver De Mandeville werd zelfs verbannen uit Rotterdam.

De pamflettist zelf vertrok naar Engeland waar hij furore zou maken als satirisch schrijver. Lang heeft Van Zuylen van Nijevelt kunnen genieten van zijn eerherstel hij overleed drie jaar later.

Bronnen:

Gemeentearchief Rotterdam – Inv. nr. III A6 Waerachtig verhael van het gepasseerde te Rotterdam , so ten regarde van het vangen, examineeren en onhthoofden van Cornelis Kosterman als van het gene daar op is gevolgt

Gemeentearchief Rotterdam – Inv. nr. XII F40 Confessie van Cornelis Costerman, en de daer op gevolgde sententie en andere stukken

R.M. Dekker – ‘Het Kostermanoproer in 1690, complot of spontane beweging?’, Rotterdams jaarboekje (1981) 192-207

R.M. Dekker – ‘Schijnheilig atheïst’. Bernard Mandeville als pamflettist tijdens het Costermanoproer in 1690′, Historisch Tijdschrift Holland 26 (1994) 1-17

H.C. Hazewinkel – Geschiedenis van Rotterdam (Zaltbommel 1974) – 247-281

G. Mees – Het Rotterdamse oproer van 1690 (Amsterdam 1869)

A. van der Schoor – Stad in aanwas, gescheidenis van Rotterdam tot 1813 (Zwolle 1999) 279-282

J.H.W. Unger, ‘De correspondentie in de Rotterdamsche vroedschap’, Rotterdams jaarboekje (1894) 1-11

Auteur: Drs. Allard Schellens

Gepubliceerd op: 01-10-2018

Verhaalnummer: 219