Skip navigation

Author Archives: Aries v Meeteren

ROTTERDAM – De Rotterdamse hoofdinspecteur Bouwe Kalma heeft het voorgoed verbruid bij een groot deel van zijn eigen korps. De uitgesproken linkse Kalma waagde het gisteren om mee te lopen in een demonstratie van aanhangers van de terreurgroepering Rote Armee Fraktion (RAF) die zich onder meer keert tegen politie en gezag. Zijn optreden heeft zoveel kwaad bloed gezet, dat veel collega’s vinden: “Hij eruit of wij eruit.”

Het ging er fel aan toe tijdens de betoging voor het Duitse consulaat aan de Parklaan in Rotterdam. De demonstranten verklaarden zich solidair met de RAF en riepen: “Hun strijd, onze strijd, internationale solidariteit!” Ook scholden ze agenten uit voor fascisten en zwarthemden. Kalma stond erbij en keek ernaar.

Rotterdamse agenten reageren verbijsterd. Het leek wel of Kalma het eens was met de scheldpartijen. Ze weigeren om nog langer met Kalma samen te werken. “Wat hebben we nog aan die man?”, vragen ze zich af, zo vertellen bronnen.

Kalma’s positie staat al langere tijd onder druk. De Fries, die al sinds 1946 bij de Rotterdamse politie werkt, had zich al bij een deel van de politie onmogelijk gemaakt door in de jaren ’60 mee te lopen in demonstraties tegen de apartheid in Zuid-Afrika, het Franco-regime in Spanje en de oorlog in Vietnam. Dat kan niet, vindt een groeiende groep agenten.

Neger en homofiel

Afgelopen voorjaar bereikte de kritiek op Kalma ook al grote hoogte. Hij had toen op een verkiezingsbijeenkomst van de Pacifistisch Socialistische Partij hard uitgehaald naar de top van zijn korps. Hij uitte felle kritiek op een nieuw meldingsformulier waarmee de Rotterdamse politie experimenteert. Op het formulier staan woorden als ‘jood’, ‘neger’, ‘zigeuner’, ‘homofiel’, ‘lesbisch’ en ‘gluurder’. Zulke discriminerende woorden werken vooroordelen in de hand, vindt Kalma.

Collega’s van Kalma stuurden toen een telegram naar de burgemeester. Ze schreven daarin dat ze het optreden van Kalma walgelijk vonden en ze drongen aan op het vertrek van de hoofdinspecteur. Maar zover wilde Van der Louw niet gaan.

Hij liet alleen weten dat hij het optreden van Kalma betreurde. “Zo ga je niet met elkaar om. Kalma had met zijn bezwaren gewoon naar mij kunnen komen. Ik vind deze zaak een schoolvoorbeeld van een probleem dat in een normaal gesprek snel tot een oplossing had kunnen worden gebracht”, zo zei Van der Louw tegen de Telegraaf.

(Het artikel gaat verder onder deze advertentie)



Lastige positie

Daar bleef het bij. Van der Louw zit ook in een lastige positie. Als prominent lid van de Nieuw-Links-beweging binnen zijn eigen partij, de PvdA, is hij het in een veel dingen eens met Bouwe Kalma. Als er al wordt ingegrepen in de affaire, dan zal dat van hogerop moeten komen, verwachten stadhuis-watchers.

Geruchten gaan dat de zaak zal worden voorgelegd aan een procureur-generaal. Die moet bekijken of Kalma nog wel kan functioneren binnen het korps. Tijdens het onderzoek zullen onder meer burgemeester Van der Louw, de politietop en directe collega’s van Kalma worden gehoord. Eind dit jaar moet er een knoop worden doorgehakt over de toekomst van Bouwe Kalma.


Hoe ging het verder?

Mr. W.A. Baron van der Feltz drong een maand later aan op overplaatsing van Kalma naar een politiebaan buiten de recherche en de vreemdelingendienst. Daarop is er binnen de politie een baan voor hem gecreëerd, nl. het schrijven van rampenplanen. Kalma zag daar niets in. Hij beschouwde overplaatsing als een beroepsverbod, “bedoeld om de politie te ontdoen van linkse ideeën.”

Kort erna hebben enkele tientallen mensen gedemonstreerd tegen aanstaande ontslag van Kalma. Ze stonden met borden op het Stadhuisplein in Rotterdam (foto onder).

Van der Louw gaf Kalma uiteindelijk niet meer dan een schriftelijke berisping. Dat bracht weinig verandering in de zaak. De sfeer op het bureau bleef zo verziekt dat Kalma niet meer kon werken.

Op 7 januari 1978 koos Bouwe Kalma eieren voor zijn geld en diende zelf zijn ontslag in. Later zou hij zeggen dat hij het geboortekaartje in de bus had gekregen van het kind van een politieman die in Utrecht was gedood bij de arrestatie van een RAF-lid in september 1977. Dat gaf de doorslag.

Kalma kreeg in afwachting van de afwikkeling van zijn ontslag buitengewoon verlof. Reacties van collega’s kwamen er niet, zo vertelde hij tegen het Vrije Volk (11 januari 1978). Diezelfde maand liep hij weer mee in een betoging van de PSP in Amsterdam. Pikant was dat er werd gedemonstreerd tegen beroepsverboden voor mensen met staatsgevaarlijke opvattingen. Kalma voerde er het woord, net als een vrouw die was ontslagen bij de Amsterdamse recherche omdat ze vrienden was met een RAF-sympathisant.

De linkse oppositie in de Tweede Kamer nam het in april 1978 nog op voor Kalma en diende een vijftal moties in waarin het ontslag van Kalma en het optreden van de procureur-generaal werden betreurd. De moties werden allemaal verworpen.

Het ontslag van Kalma werd per 1 juni 1978 officieel. Een eerder aangetekend protest tegen de berisping en een eis van 60 duizend gulden smartengeld werd in juli 1978 door de rechter van tafel geveegd.

Kalma werd in 1979 lijsttrekker voor de PSP bij de verkiezingen voor het Europees Parlement. Maar de partij, die later opging in GroenLinks haalde geen enkele zetels. Kalma overleed op 25 juni 2011.

Het bovenstaande verhaal maakt deel uit van de serie rond de Maand van de Geschiedenis 2018. Het thema dit jaar is ‘Opstand’. Over hoe een politiechef meedoet aan de opstand en dat de ene opstand de andere veroorzaakt.

Bronnen:

Telegraaf – 07 mei 1977 – Rotterdamse politie heeft genoeg van chef Kalma

Telegraaf – 22 december 1977 – Positie Kalma weer in geding

Trouw – 23 december 1977 – Procureur vraagt vervanging Klama

Leeuwarder Courant – 27 december 1977 – Betoging voor Kalma in Rotterdam

Telegraaf – 6 januari 1978 – Van der Louw ontheft Kalma van z’n functie

Telegraaf – 7 januari 1978 – Politiechef Kalma dient ontslag in

Het Parool – 23 januari 1978 – Kalma weer op pad in betoging

Leeuwarder Courant – 19 april 1978 – Vijf Kalma-moties verworpen

Telegraaf – 11 juli 1978 – Kalma krijgt geen gelijk

RTV Rijnmond – Vergeten Verhalen, 2002

Auteur: Drs. A.P.B. van Meeteren

Gepubliceerd op: 01-10-2018

Verhaalnummer: 216

HARDINXVELD-GIESSENDAM – In Rotterdam zijn vandaag 4 personeelsleden van scheepswerf De Merwede in Hardinxveld-Giessendam gefusilleerd. Het personeel had het werk neergelegd. Nog eens 19 mensen zijn opgepakt en overgebracht naar concentratiekamp Vught, omdat ze de ogen van de Sicherheidsdienst ‘besonderes widerspentig’ (bijzonder opstandig) zijn. Het dorp verkeert in diepe rouw.

De staking was vrijdag nog zonder problemen begonnen. Op De Merwede legden maar liefst 400 man het werk neer. Nog eens 65 man van scheepswerf De Hoop voegden zich erbij, net als 110 werknemers van N.V. Machinefabriek Holland en 35 mensen van ijzergieterij Versteeg.

Maar daar bleef niet bij. Ook gemeenteambtenaren staakten en de busdienst tussen Hardinxveld-Sliedrecht reed niet – hoewel dit volgens de exploitant meer te maken zou hebben met verwachte woedende reacties als er wél gereden zou worden.

Arbeitseinsatz

Het begint allemaal met een onverwachte aankondiging in de krant donderdag dat alle Nederlandse oud-militairen zich vrijwillig moeten melden voor krijgsgevangenschap. Ze worden in Duitsland te werk gesteld in de oorlogsindustrie.

Door de zogeheten Arbeitseinsatz zouden bijna 300 duizend mannen hun gezin moeten verlaten om in Duitsland aan de slag te gaan. Dat nooit, denken ze direct bij machinefabriek Stork in Hengelo, waar 3000 werknemers het werk neerleggen. Daarna verspreidt de staking zich als een vlek door Nederland. Alleen al in Zuid-Holland zijn er stakingen geteld in 12 gemeenten.

Een verzetsgroep uit Dordrecht stuurt donderdag al via de trein pamfletten rond om mensen op te roepen ook het werk neer te leggen en te protesteren tegen het Duitse plan. En zo vallen nog diezelfde avond stakingsoproepen op het perron van station Giessendam-Neder-Hardinxveld. Een dag later ligt het rivierdorp grotendeels plat.

Verrast

De Duitsers zijn verrast door de omvang van de stakingen in Nederland. Mogelijk dat ze daarom op de eerste stakingsdag nog niet ingrijpen. Maar daarna vinden de autoriteiten het welletjes. Op zaterdag komt ‘Kriminalsekretär’  J.W. Hoffmann van de Sicherheitsdienst in Rotterdam naar Hardinxveld en eist bij de bedrijven lijsten van stakers.

Zondag blijkt onder het viaduct over de Nieuweweg een aanplakbiljet te hangen met daarop de oproep om de staking voort te zetten. Daarop halen de Duitsers burgemeester Klaas de Boer van Hardinxveld uit de kerk en geven hem te verstaan dat er bloed zal vloeien als de staking aanhoudt.

De Boer zoekt diezelfde zondag contact met de directeuren van de bedrijven waar wordt gestaakt. Onder andere directeur Joost van der Vlies van De Merwede laat zijn personeel weten wat er dreigt. Maar het helpt niet. Maandagochtend blijven veel werknemers thuis. Daarop neemt de directie van De Merwede de benen.

Overvalwagens

Hoffmann rijdt intussen door het dorp met overvalwagens. Hij komt eerst bij de machinefabriek, waar directeur Caljé hem weet af te poeieren. Als de SD-chef bij De Merwede aankomt, blijken er toch enkele werknemers te zijn gearriveerd. Met de lijst van stakers in de hand arresteert Hoffmann er 19. Vier anderen die dan net aankomen worden ook opgepakt op beschuldiging van ‘staking, aansporing daartoe, verspreiding van pamfletten en andere agitatie.’

De vier die het laatst zijn gearresteerd worden direct naar het kantoor van Hoffmann in Rotterdam gebracht. Daar krijgen ze diezelfde avond de kogel. Het zijn Cornelis Willem de Kok (1889), Cornelis van der Giessen (1904), Dirk Loever (1909) en Jan Willem de Blaey (1914). De andere gevangen genomen medewerkers worden naar Vught gebracht.


Hoe het verder ging:

De vier stakers hadden voor hun terechtstelling een afscheidsbrief mogen schrijven, maar hun dood wordt sneller bekend gemaakt op de werf dan dat de brieven bij de familie worden bezorgd.

De stakingen duurden maar een paar dagen. De Duitsers waren eerst verrast, maar sloegen al snel hard toe. In heel Nederland werden 80 stakers geëxecuteerd. Nog eens 95 mensen vonden de dood door beschietingen tussen stakers en de bezetter. Ook raakten 400 mensen gewond. Als we ook de mensen meetellen die later in strafkampen bezweken aan uitputting komen we op 200 doden.

Niet alleen de represailles zorgden ervoor dat de staking op 3 mei 1943 werd beëindigd. Ook speelde mee dat de staking niet algemener werd. Zo bleven de NS rijden en deden bedrijven in de grote steden niet mee.

Naast bedrijven deden ook boeren mee aan de protesten tegen de Arbeitseinsatz. Ze leverden geen melk aan zuivelfabriken en deelden hun melk gratis uit aan de burgers. Hier en daar lieten ze de melk ook over de weilanden lopen.

De Duitsers zagen Radio Oranje als aanstichter van de stakingen. Op 13 mei 1943 kregen de Nederlanders te horen dat ze hun radiotoestellen moesten inleveren. Wie dat niet deed, moest naar een concentratiekamp.

Plaquette voor de gefusilleerde medewerkers van Scheepswerf Merwede. Op 11 september 1944 kwamen nog eens elf mensen om toen de werf gebombardeerd werd.

Bronnen: 

P.J. Bouman, De April-mei-stakingen van 1943 (1950), m.n. p. 160-162 en 450

Wikipedia – April-meistakingen

Verzetsmuseum – April-Mei staking

Rotterdamsch nieuwsblad – 04-05-1943 – Bekendmaking doodsvonnissen4

Historische Vereniging Hardinxveld-Giessendam – Oorlogsherinneringen (va. blz 32)

Auteur: Aries van Meeteren

Gepubliceerd op: 09 maart 2019

Verhaalnummer: 86

BLESKENSGRAAF – Duitse bommenwerpers hebben zondagochtend de dorpskern van Bleskensgraaf zwaar getroffen. Zeker zeven mensen zijn om het leven gekomen, onder wie vijf mensen uit Oud-Alblas.

Het dorpje in de Alblasserwaard werd niet zomaar op de korrel genomen door de Luftwaffe. Munitiewagens van het Nederlandse leger waren in het dorp neergestreken en had een deel van de militaire voertuigen rond de kerk geparkeerd.

De munitiecolonne van het tweede Regiment Huzaren-Motorrijder was zaterdag aangekomen in Bleskensgraaf. Luitenant-kolonel A.J.E. Mathon was met zijn troepen vanuit Brabant onderweg naar Dordrecht om zich bij de Lichte Divisie aan te sluiten. Het doel was om het eiland van Dordt veilig te stellen en door te stoten naar vliegveld Waalhaven in Rotterdam.

Maar de militaire colonne kon Dordrecht niet bereiken. Duitse vliegtuigen hadden net Alblasserdam gebombardeerd. Het was een enorme chaos op de polderweggetjes als gevolg van de mensen die het Damdorp ontvluchtten. Een van de dorpen waar de Alblasserdammers een goed heenkomen zochten was Bleskensgraaf.

Met name de tientallen munitiewagens van het regiment kwamen geen steek verder door de vluchtelingenstroom in de Alblasserwaard. De commandant besloot daarop de nacht in Bleskensgraaf door te brengen en op zondag verder te trekken. Een besluit met desastreuse gevolgen.

“’s Avonds stond het overal vol in het dorp”, zegt bakker Jan Baan. “Ze hadden vrachtwagens bij boeren naar binnen gereden, zodat de Duitse vliegtuigen ze niet zouden zien. Want anders gingen ze aan het bommen gooien.”

Maar de colonne bestond uit zoveel vrachtauto’s dat de voertuigen niet allemaal verdekt konden worden opgesteld. Bij zonsopkomst vlogen Duitse verkenningsvliegtuigen over en die hadden de aanwezigheid van het Nederlandse leger snel in de gaten. Al snel kwamen ook bommenwerpers over.

Dit artikel gaat verder onder deze advertentie



Vlucht

De inwoners van Bleskensgraaf waren bij de overkomst van de eerste vliegtuigen al gealarmeerd, zeker na de verhalen van de Alblasserdammers die naar het dorp waren gevlucht. Baan: “Je kleedde je aan en ging zo snel mogelijk naar buiten. De vliegtuigen vlogen zo laag dat je de piloten gewoon kon zien zitten.”

“Drie rondes hebben ze gemaakt boven het dorp. Ze schoten eerst met mitrailleurs. Bij ons rolden de kapotte pannen zo door het dakraam naar binnen. Niet lang daarna viel de eerste bom, bij de familie Verlek geloof ik. Toen schudde ons hele huis.”

(ooggetuige Jan Baan)

Al snel brandde het dorp aan de westkant en de oostkant.

De familie Baan vluchtte de polder in, naar de donk in het naastgelegen dorpje Brandwijk. Van daaruit zagen ze het dorp in lichterlaaie staan. Daar zit Baan nog altijd, samen met meer inwoners van Bleskensgraaf. Zij durven voorlopig niet terug naar het dorp.

Balans

Een commandant van het Nederlandse leger is inmiddels in Bleskensgraaf gearriveerd om de balans te maken. Een echtpaar en drie kinderen uit Oud-Alblas dat naar het dorp was gevlucht, heeft de bommenregen niet overleefd. Ook twee soldaten zijn omgekomen. Zes mensen raakten gewond en moesten naar het ziekenhuis.

Zo’n dertig winkels en huizen, vijf boerderijen en de openbare school zijn verwoest. Ook de kerk, de pastorie en het gemeentehuis – niet meer dan een kamer die aan de kerk was gebouwd – zijn zodanig beschadigd dat ze moeten worden afgebroken. Honderddertig mensen zijn dakloos geworden. Naar schatting is er voor 320 duizend gulden schade aan gebouwen en voor 165 duizend gulden schade aan inboedels, inventarissen en voorraden.

De schade had nog veel groter kunnen zien, gezien de grote aantallen munitiewagens in het dorp. Ook het feit dat de bommen vielen rond de tijd dat de koeien werden gemolken, heeft veel slachtoffers gescheeld. Enkele uren later had de kerk vol mensen gezeten en was het leed niet te overzien geweest.


Hoe ging het verder?

Al direct de volgende dag is begonnen met puinruimen in het dorp. Veel mensen die de polder in waren gevlucht keerden terug. Gebouwen die op instorten stonden, zijn meteen gesloopt. Vooral het afbreken van de kerk was een gevaarlijke klus (zie foto onder). De torenspits was zo wankel geworden, dat die de kerk in dreigde te vallen. Daarom werd de bovenkant van de toren gehaald.

De sloop is voor een belangrijk deel uitgevoerd door Nederlandse militairen. Aanvankelijk gebeurde dat in opdracht van Nederlandse commandanten, maar na de capitulatie zetten de Duitse autoriteiten krijgsgevangenen in.  Er verrezen ook een noodkerk en noodwinkels.

In het voorjaar van 1941 hebben Duitse militairen nog gezocht naar niet-ontplofte bommen in het dorp, maar die zijn niet meer gevonden.

Een architect is meteen aan het werk gegaan om een plan te maken voor de wederopbouw. Er kwam een nieuwe brug, het wegdek werd een stuk verhoogd en het dorp kwam meteen af van ‘een tamelijk rommelige bebouwing met inpandige woningen en bedrijfsgebouwen, die in normale omstandigheden nog langen tijd zouden zijn gehandhaafd.’

Een deel van de wederopbouw, ruim 10 duizend gulden, is in 1941 betaald uit het herstelfonds van het Ministerie van Financiën.

Het plan bepaalde waar de mensen die dakloos waren geworden, hun huis mochten herbouwen. Vaak was dat op een heel andere plek. Boeren mochten wel zoveel mogelijk op hun oude stek terugkeren. De kerk is na de oorlog herbouwd en in 1948 in gebruik genomen. Ook kwam er een nieuw gemeentehuis, dat in 1955 klaar was.

Overigens vielen er op 10 februari 1944 opnieuw enkele bommen op Bleskensgraaf, dit keer Amerikaanse. Ze kwamen terecht bij de boerderij van Willem Schakel. De schade bleef beperkt tot gesprongen ruiten en een ‘lighal’, een met de zon meedraaiende ruimte voor tbc-patiënten.

Bronnen:

Documentaire ‘Bleskensgraaf in de Tweede Wereldoorlog’ (Aries van Meeteren)

Operatiën van het veldleger en het oostfront van de vesting Holland (mei 1940)

Beknopt overzicht van de krijgsverrichtingen der Koninklijke Landmacht 10-19 mei 1940

Facebookpagina Oud Bleskensgraaf

Historische vereniging Binnenwaard

Auteur: Drs. A.P.B. van Meeteren

Gepubliceerd op: 26 augustus 2018

Verhaalnummer: 94



SLIEDRECHT – Wie denkt dat heksengeloof vooral iets is van de middeleeuwen, heeft het mis. Justitie is een onderzoek begonnen naar de familie V. uit het Sliedrechtse buurtschap Baanhoek die een buurvrouw van hekserij beschuldigt en haar heeft gedreigd te wurgen. Aanstichter is een Gorcumse duivelbanner. Of zijn het bakerpraatjes?

Mevrouw K. kwam vorige week nietsvermoedend binnen bij haar buren en trof de hele familie V. aan tafel. Iedereen keek haar strak aan. “Ze hadden al dikwijls raar gedaan”, zegt ze terugkijkend. “En altijd hadden ze het over toverij gehad. Maar zo vreemd als die ochtend heb ik ze nog nooit gezien.” En om maar wat te zeggen, vroeg ze langs haar neus weg: “Is er iemand jarig?”

Opa V. wees daarop met een priemende vinger naar K. en zei dat ze een heks was en dat zij zijn kleindochter Gezina dik had gemaakt. “We weten dat jij met je geest in huis komt. Dat meisje heb je in je macht. En de bomen in het land staan te verdorren. Dat meisje, dat zo zwaar wordt, heb jij zo gemaakt. En nou eisen wij dat je er een eind aan maakt!”

Mevrouw K. hapt nog naar adem als ze het verteld. Natuurlijk had ze ook wel gezien dat Gezina de laatste tijd flink dikker was geworden. Maar nog voor ze op de beschuldiging kon reageren, dwong de familie V. haar om een raar drankje te drinken en daarna Gezina te zegenen.

Wurgen

“Ik raakte helemaal overstuur en wilde naar huis, omdat het de tijd was dat mijn zoon zou komen eten.” Maar K. mocht niet weg voor ze Gezina had gezegend. K. weigerde. Daarna bood de gegoede familie haar eerst het enorme bedrag van honderd gulden en toen ze zei dat ze geen geld wilde, dreigde ze haar te wurgen.

Gelukkig voor K. kwam haar zoon thuis en toen hij erachter kwam dat ze door de buren werd vastgehouden trapte hij tegen de deur en ontzette zijn moeder. Eenmaal thuis voelde ze zich raar door het drankje en had ze blauwe lippen. Na vier dagen stapte ze naar de politie.

Wonderdokter

Navraag leert dat het gezin V. medisch was gaan shoppen nadat de huisarts geen verklaring had voor de plotselinge zwaarlijvigheid van Gezina. Het meisje was moe, lag veel op bed en was, ‘zwak van hoofd.’ Een achterbuurvrouw, een baker, raadde aan om wonderdokter Lambertus (Ber) Lelie uit Gorinchem te raadplegen.

* Lambertus Lelie, 1866

Lelie is een zadelmaker annex wonderdokter die mensen in de wijde omtrek zou hebben genezen, van de Hoeksche Waard tot aan de Betuwe en van het noordelijkste deel van Brabant tot aan het zuiden van Utrecht. En dus waren moeder en dochter naar de Haarstraat gegaan, waar Lelie een werkplaats heeft.

Moeder hoefde niet veel uit te leggen. Lelie wist meteen dat Gezina was behekst door een toverkol. Hij vroeg of de bomen in de buurt verdord waren. Dat bleek zo te zijn. “Dan moet u de tovernaarster zoeken in uw naaste omgeving!”, bezwoer Lelie.

“Ga naar huis en de vrouw die het eerst naar de welstand van je dochter vraag, heeft in haar binnenste de kwade geest waarmee het ongelukkige kind behekst is!”

(Ber Lelie)

Tot slot gaf de zadelmaker moeder en dochter nog een wonderdrankje mee dat ze de toverkol moesten laten opdrinken waarna zij de dochter zou moeten zegenen “zodat de betovering ophoudt en ze weer gezond en vrolijk wordt.”

Dit artikel gaat verder onder deze advertentie



Sleutelproef

Helaas voor mevrouw K. was zij de eerste die daarna bij de familie V. informeerde hoe het met Gezina ging. Daarop overlegden moeder en dochter met de achterbuurvrouw M. en opa V., de vader van mevrouw V. Ze zochten een extra bevestiging en pakten de familiebijbel, deden er een lange sleutel in, waarop een van hen een vinger door het oog van de sleutel stak en de naam van de verdachte uitsprak. Prompt bewoog de Bijbel.

* Foto: Sleutelproef

Voor de familie was het bewijs nu geleverd. Enkele dagen later lokte mevrouw V. de buurvrouw met een smoes naar binnen: “Ach, vrouw K. , kom eens gauw even kijken!”, waarop de nieuwsgierig geworden K. in de val liep. Ze mag haar zoon dankbaar zijn dat er bij de daaropvolgende exorcismepoging in Baanhoek geen gewonden zijn gevallen.

Het is nog niet duidelijk wanneer de politie het onderzoek naar het voorval heeft afgerond. K. overweegt om de uitkomst ervan niet af te wachten en te vertrekken. Ook de familie V. heeft zich in Baanhoek onmogelijk gemaakt en maakt zich op voor een verhuizing.


Hoe het verder is gegaan

De uitkomst van het politieonderzoek naar de familie V. is onbekend (de kranten die het voorval in Baanhoek hebben geschreven, zwijgen over de strafrechtelijke afloop).

Op 11 juli 1926 blijken zowel het gezin als de buurvrouw naar elders te zijn vertrokken.

Gezina was niet behekst, maar gewoon zwanger, zo ontdekte verhalenverzamelaar Henk Kooijman.

Het verhaal is het laatst bekende verhaal in Nederland waarin een sleutelproef is gebruikt om een heks te ontmaskeren.

Ber Lelie

Ber Lelie (1866) kwam uit een familie van zadelmakers en waarzeggers uit Wallonië (de familie heette oorspronkelijk Lille). Door hun beroep van zadelmaker kwamen de Lelies veel bij de boeren thuis. Hun klantenkring als duivelbanner bevond zich dan ook vooral op het platteland van de Krimpener- en de Alblasserwaard en het Land van Heusden en Altena. Ber is de laatste telg van het geslacht Lelie die zich met waarzeggerij en duivelbannerij heeft bezig gehouden.

Lelie vroeg maar liefst 10 gulden per consult. Inbegrepen was een ‘wonderdrank’ die smaakte naar bessensap. Volgens sommigen bestond de drank ook wel uit gedroogde kersenstelen met brandewijn.

Aanstichter was een bejaarde baker, mevrouw M. Zij had een kleindochter die ook behekst zou zijn geweest en was toen, in haar zoektocht naar hulp, uitgekomen bij Ber Lelie. Die adviseerde haar: “Neem een kip met zwarte veren en duw die levend in een pot kokend water.”

Vermoedelijk moest M. toen ook alle gaten in huis afdichten, van de schoorsteen tot de sleutelgaten. Deze zogeheten henproef was bedoeld om de heks te identficeren. Het heksengeloof veronderstelde dat de heks een ‘dubbel’ hadden, een soort onzichtbaar tweede lichaam dat ’s nachts door sleutelgaten kon kruipen.

Zwarte kippen zouden verbonden zijn met de heks. Door de kip te grazen te nemen zou de heks worden gelokt. En omdat ze niet onzichtbaar via de gaten en kieren in huis kon langskomen, zou ze wel hoogstpersoonlijk moeten verschijnen.

Bronnen:

Telegraaf – 06-07-1926, 07-07-1926, 08-07-1926, 11-07-1926

Henk Kooijman, Volksverhalen uit het grensgebied van Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant (Amsterdam 1988) nr. 333

Willem de Blécourt, Witchcraft and Magic in Europe. The twentieth century (Londen 1999), p. 162-165

Auteur: Aries P.B. van Meeteren

Gepubliceerd: 21-01-2019

Verhaalnummer:  82

MAASSLUIS – Een groep van enkele honderden mannen en vrouwen heeft maandag in Maassluis tientallen mensen bedreigd en hun huisraad vernield. Ook hebben ze mensen op straat lastiggevallen. De raddraaiers zijn boos over de invoering van een andere manier van zingen in de kerk. Het is een voorlopig dieptepunt in een slepend conflict dat vorig jaar begon.

Ooggetuige Hendrik Moerings wist niet wat hij zag toen hij even de stad in ging.

“Een troep van vijfhonderd man ging naar de huizen van iedereen die voor het nieuwe zingen was. Zij stookten elkaar op. Ze dronken sterke drank met buskruit vermengd, waar ze woedend van werden. Ze haalden een van onze plaatsgenoten uit zijn huis en bonden hem met zware touwen. Aan de uiteinden trokken wel vijf of zes mannen ter weerszijden hem voort, terwijl anderen zijn huisraad plunderden.”

Tot in de late avond hielden rellende ‘lange zangers’ huis in Maassluis. Ze hadden het onder anderen voorzien op de voorzanger, Bartholomeus Ouboter, die de kerk de nieuwe manier van zingen had geleerd. Ze mishandelden de schilder en glazenmaker, sloegen zijn winkel kort en klein en rolden de kleren van zijn gezin door de verf.

Ook andere prominente ‘korte zangers’ moesten het ontgelden. Een organist kreeg klappen, een oud-ouderling en oud-burgemeester, die ook in de kerkenraad had gezeten, werd in zijn nachtgoed de straat opgejaagd, de vrouw van een schoenmaker werd aan haar haren door de straten getrokken en bij een metselaar ging een steen door de ruit. Bij een ander werd de wijnkelder leeggedronken.

De oproerkraaiers riepen ‘Houzee!’ en ‘We willen de oude toon weer terug.’ De nieuwe manier van zingen noemden ze ‘dans- en komediezang’. Anderen schreeuwden dat ze vandaag allemaal Prins, Staten, regering, dominees en alles tegelijk waren en dus hun zin moesten krijgen. Pas tegen het eind van de avond keerde de rust terug in Maassluis. Enkele inwoners, onder wie ook slachtoffers als de voorzanger en de metselaar, hebben dat dit niet afgewacht en zijn naar Delft gevlucht.

Conflict

Net als overal in Holland en West-Friesland is in Maassluis begin vorig jaar een nieuw psalmenboek geïntroduceerd. De nieuwe zogeheten psalmberijming is samengesteld in opdracht van de de overheid. Aanleiding was de groeiende onvrede onder predikanten en taalkundigen over de oude liedteksten van Petrus Datheen uit 1566. Het resultaat verscheen in 1773 op de markt, waarna de overheid de berijming overal liet invoeren.

Maar niet alleen de woorden van de populaire psalmen gingen op de schop. Ook de manier van zingen moest anders. Alleen gebeurde dat laatste niet in opdracht van de Staten-Generaal, maar van de kerken zelf. Die wilden af van de uiterst langzame manier van zingen waarbij elke noot even lang duurde. Ook de kerkenraad van Maassluis was voorstander van het nieuwe zingen dat meer ritmisch was, dus met afwisseling van hele en halve noten. Maar dat was buiten een deel van het kerkvolk gerekend.

Dit artikel gaat verder onder deze advertentie



Vissers

Met name de vissers van Maassluis zijn van ouds zeer gehecht aan de langzame manier van zingen. Als ze van huis zijn heffen ze aan boord graag een psalm aan, zeker op zondag als de schepen voor anker liggen op de Doggersbank. Ze komen dan bijeen op één schip en houden een eigen kerkdienst met zeer langzaam gezongen psalmen, mét de oude woorden van Datheen.

De kerkenraad van Maassluis moet al problemen met de vissers hebben voorzien. De invoering van de nieuwe teksten was al een heet hangijzer – ze werden in de loop van vorig jaar uiteindelijk, zij het aarzelend, door de meeste mensen meegezongen. Maar ritmisch zingen was voor een aantal Maassluizers, met name het armere deel van de bevolking, een brug te ver. Men zong dus wel de nieuwe tekst, maar op de oude manier.

Om ook de nieuwe manier van zingen te kunnen invoeren besloot de kerkenraad vorig voorjaar om zodra de vissers voor enkele weken op zee waren, te gaan oefenen met het overgebleven kerkvolk. Een voorzanger en enkele schoolmeesters hielpen met het instuderen van ritmisch zingen. Maar toen de vissers terug waren, sloeg de vlam in de pan.

De vissers vonden het snellere zingen helemaal niets. Het was in hun ogen ‘paaps, Luthers en afgodisch’. In augustus begonnen er enkele van hen dwars door het gezang heen het geluid van blatende schapen na te doen en te schreeuwen. De dominee was zo van slag dat hij niet verder kon en iedereen naar huis stuurde. Daarna ging het van kwaad tot erger. Vissers zetten in de kerk ook geregeld de aloude psalmen van Datheen in, die ze veel liever zongen dan de nieuwe liederen.

Compromissen

Niet alleen de aanhangers van de oude manier van zingen, de zogeheten ‘lange zangers’, roerden zich, ook de voorstanders van de nieuwe manier, de ‘korte zangers’, lieten van zich horen. Kerkdiensten veranderden meer dan eens in een complete chaos, waarbij ook de organist een duit in het zakje deed door zo hard als hij kon te spelen. Toen de ‘lange zangers’ het orgel dreigden af te breken, bond de kerkenraad in. In september herstelde ze de oude manier van zingen, maar wel op de nieuwe teksten.

De maanden erna hebben de ‘korte zangers’ voortdurend geprobeerd om het besluit van de kerkenraad weer van tafel te krijgen. Dat resulteerde in februari in een nieuw compromis. Voortaan zou er weliswaar langzaam worden gezongen, maar wel met afwisseling van hele en halve noten. Maar die maatregel maakte de problemen in Maassluis alleen maar erger. Nu had niemand zijn zin.

Afgelopen zaterdag trok een groep ‘lange zangers’ langs bij de dominees en de beheerders van de kerk en de schout. Zij eisten dat er de volgende dag weer ouderwets langzaam, met hele noten, zou worden gezongen. De autoriteiten konden weinig anders dan toegeven. Een flinke vergissing, zo bleek twee dagen later, toen groepen al rellend door Maassluis trokken.

Dit artikel gaat verder onder deze advertentie



Ingrijpen?

Schout Pieter Schim laat weten dat hij het er niet bij laat zitten. Geruchten gaan dat hij de baljuw, de hoogste rechterlijke macht in Delfland, erbij wil halen, die dan de rust zou moeten herstellen. Ook de Prins van Oranje zou dezer dagen in Delft zijn. Mogelijk wordt ook hij bijgepraat. Of dat ook gebeurt, is bij het verschijnen van dit bericht nog niet bekend.


Hoe het verder ging

Schim is inderdaad de volgende dag naar Delft gereisd, samen met een burgemeester en een schepen, om de baljuw in te seinen. De baljuw zegde zijn hulp toe. Of de prins, een verklaard tegenstander van de psalmen van Datheen,  daarbij nog een rol heeft gespeeld, is niet helemaal duidelijk. De dagen na het Psalmenoproer werden in ieder geval tal van verdachten opgepakt. Zeventig Maassluizers wachtten de arrestaties niet af en namen de benen. Dat aantal verraste de autoriteiten, waarna een amnestieregeling in het leven werd geroepen. Alleen de ergste raddraaiers zouden worden veroordeeld. Twee van hen kregen 12 jaar verbanning opgelegd, twee anderen verdwenen voor zes jaar uit Maassluis.

Na het oproer zong men in de kerken in Maassluis, net als in de meeste andere kerken in Holland, uit de nieuwe psalmberijming en bovendien ritmisch. Althans, meestal. Een enkele keer probeerde nog een ‘lange zanger’ om op hele noten, dwars tegen de rest in te zingen. Op 14 mei 1778 vaardigde de baljuw, een soort politiechef, daartegen een waarschuwing uit.

Ook in Vlaardingen kwam het tot een Psalmenoproer, onder leiding van ‘lange zanger’ Anthony Buytenweg, die voorzanger was in zijn kerk en die de psalmen ‘op zulk een onstichtelijke wijze gezongen of liever geschreeuwd’, dat groot rumoer in de kerk ontstond.

In 2006 schreef de in Maassluis geboren schrijver Maarten ’t Hart een roman die zich onder meer afspeelt ten tijde van het Psalmenoproer. Een zoon van de hoofdrolspeler ontpopt zich als een van de aanvoerders van de ‘lange zangers’. ’t Hart baseerde zich onder andere op ooggetuigenverslagen van de rellen in zijn stad.

Tegenwoordig wordt de psalmberijming van Datheen nog in zo’n 30 kerken gezongen, met name in oudgereformeerde gemeenten.

Bronnen:

En toen nu – Psalmenoproer

Luth (e.a.) – Het Kerklied – Een geschiedenis (Zoetermeer 2001)

P.H.A.M. Abels – Tussen gewetensvrijheid en kerkelijke dwang. Religie in Holland’, in: Th. de Nijs en E. Beukers, Geschiedenis van Holland Deel 2 1572-1795, p. 326-32

Mastenbroek – ‘De Maassluise oorlog 1775-1776’ – Historische Schets 27 (1995), p. 7-17

Dekker – Holland in beroering. Oproeren in de 17de en 18de eeuw (Baarn 1982)

Auteur: Drs. A.P.B. van Meeteren

Gepubliceerd op: 01-10-2018

Verhaalnummer: 203

Dit verhaal is geschreven in het kader van de Maand van de Geschiedenis 2018. Het thema van dat jaar is ‘Opstand’. In dit geval kwam een deel van de bevolking in opstand tegen het van bovenaf opgelegde veranderingen van de manier waarop de religie beleden moest worden.